| Instantie | Rechtbank Den Haag (zittingsplaats Rotterdam) |
|---|---|
| Datum | 25-03-2026 |
| ECLI | ECLI:NL:RBDHA:2026:9213 |
| Zaaknummer | NL26.14506 |
| Type | Vreemdelingenrecht, artikel 59 lid 1 onder a Vw 2000 |
| Dictum | Beroep gegrond |
Feiten en procesverloop
Bij besluit van 14 maart 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000. De rechtbank heeft het beroep, dat mede als verzoek om schadevergoeding geldt, op 25 maart 2026 op zitting behandeld.
Standpunt eiser: Eiser voert aan dat verweerder in de maatregel van bewaring niet uitdrukkelijk heeft gemotiveerd dat het beginsel van non-refoulement zich niet tegen zijn uitzetting verzet.
Standpunt minister: Uit het dossier blijkt niet dat verweerder een expliciet inhoudelijk verweer voert tegen deze beroepsgrond; de rechtbank toetst ambtshalve.
Overwegingen rechtbank
- Het vereiste dat er zicht op uitzetting bestaat, is naar nationaal recht een kwestie van openbare orde, zodat op de bewaringsrechter de verplichting rust om dit ambtshalve te toetsen. Heeft verweerder zijn standpunt dat non-refoulement zich niet tegen de uitzetting verzet niet of niet deugdelijk gemotiveerd, dan moet de rechtbank het beroep gegrond verklaren en de bewaring opheffen; omdat dit een algemene en abstracte rechtmatigheidsregel is, moet de vreemdeling volgens het arrest C, B en X (ECLI:EU:C:2022:858) onmiddellijk worden vrijgelaten.
- Uit de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:329) volgt dat ook een impliciete motivering (via verwijzing naar het gehoor) kan volstaan, mits uit de bewoordingen van de motivering kan worden afgeleid dat de non-refoulement-beoordeling daarin besloten ligt.
- In dit geval heeft verweerder in de maatregel van 14 maart 2026 niet uitdrukkelijk gemotiveerd dat non-refoulement niet aan uitzetting in de weg staat, en had zelfs kunnen volstaan met de enkele overweging dat dit niet is gebleken; ook dat ontbreekt (kernoverweging). Ook uit de bewoordingen van de motivering kan niet worden afgeleid dat deze beoordeling er impliciet in besloten ligt.
- Het beroep is al hierom gegrond en de bewaring is vanaf het moment van opleggen onrechtmatig; een beoordeling van de overige beroepsgronden is daarom niet nodig.
Conclusie en gevolgen
- Het beroep is gegrond.
- De rechtbank beveelt de opheffing van de bewaring met ingang van 25 maart 2026 en gelast de onmiddellijke vrijlating van eiser.
- Schadevergoeding van EUR 1.560 voor 12 dagen onrechtmatige detentie (3 dagen politiecel à EUR 160 en 9 dagen detentiecentrum à EUR 120).
- Proceskosten EUR 1.868 (1 punt beroepschrift en 1 punt zitting, waarde per punt EUR 934), te betalen aan de rechtsbijstandverlener wegens toevoeging.
- Hoger beroep mogelijk bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week.
Noten
- ECLI:NL:RVS:2026:329 (ABRvS, 12 februari 2026): zicht op uitzetting is een kwestie van openbare orde die de bewaringsrechter ambtshalve moet toetsen; ook een impliciete non-refoulement-motivering via het gehoor kan volstaan.
- ECLI:EU:C:2022:858 (arrest C, B en X, HvJEU, 8 november 2022): zicht op uitzetting is een algemene en abstracte rechtmatigheidsregel; ontbreekt deze, dan moet de vreemdeling onmiddellijk worden vrijgelaten.
