. Bewaring – Syrië – ECLI:NL:RVS:2025:4978
ABRvS | 17-10-2025 | ECLI:NL:RVS:2025:4978 | BRS.25.000842 (rb: NL25.27876) | Vreemdelingenrecht – Bewaring (art. 59 lid 2 Vw) | Hoger beroep gegrond
Eerste aanleg: Rb. Den Haag, zp. Middelburg, 4 juli 2025
Feiten en Procesverloop
Appellant (Syrische nationaliteit) op 19 juni 2025 door de minister in bewaring gesteld op grond van art. 59 lid 2 Vw 2000. De machtiging tot binnentreden was op een later tijdstip ondertekend dan waarop daadwerkelijk was binnengetreden. Ter zitting was afgesproken dat de minister de machtiging achteraf in het dossier zou voegen; bij begeleidende brief van 2 juli 2025 nam de minister een nieuw standpunt in over de timing, zonder appellant gelegenheid te geven te reageren. Maatregel opgeheven per 4 juli 2025; appellant overgedragen aan Bulgarije. Rb. Den Haag (zp. Middelburg) verklaarde het beroep op 4 juli 2025 ongegrond.
Overwegingen Afdeling
- Schending hoor en wederhoor: Minister nam in brief van 2 juli 2025 — na zitting — nieuw standpunt in. Als rechtsregel: een partij heeft het recht te reageren op ieder nieuw standpunt dat de wederpartij na de zitting inneemt.
- Machtiging binnentreden (art. 2 lid 1 Awbi): Als rechtsregel: de schriftelijke machtiging moet vóórafgaand aan het binnentreden zijn afgegeven; een achteraf ondertekende machtiging volstaat niet. Bewaring van aanvang af onrechtmatig.
Conclusie en Gevolgen
- Uitspraak: Hoger beroep gegrond; uitspraak Rb. vernietigd; beroep gegrond.
- Schadevergoeding: € 1.400,00 (periode 19 juni t/m 2 juli 2025; 14 dagen × € 100,00/dag), ten laste van de Staat, te betalen door de griffier van de Raad van State.
- Proceskosten: € 2.721,00 (beroep + hoger beroep) ten laste van de minister.
- Rechtsmiddel: Geen — gewijsde uitspraak van de Afdeling.
Noten