ECLI:NL:RVS:2025:5019
ABRvS | 17-10-2025 | ECLI:NL:RVS:2025:5019 | 202304402/1/V3 | Vreemdelingenrecht – Bewaring (art. 59 lid 1 aanhef en onder a Vw) | Hoger beroep ongegrond
Eerste aanleg: Rb. Den Haag, zp. Groningen, 5 juli 2023, NL23.18092
Feiten en Procesverloop
Betrokkene heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Bij besluit van 19 juni 2023 stelde de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid hem in bewaring op grond van art. 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000. Op 28 juni 2023 weigerde de minister ambtshalve toepassing van art. 64 Vw 2000. Betrokkene had eerder bezwaar gemaakt tegen de voorgenomen uitzetting op 3 juli 2023 en een voorlopige voorziening gevraagd. Bij uitspraak van 29 juni 2023 wees de voorzieningenrechter dit verzoek toe: betrokkene mocht zijn bezwaar in Nederland afwachten. De minister wijzigde de grondslag van de bewaring niet. Op 5 juli 2023 verklaarde Rechtbank Den Haag (zp. Groningen) het beroep gegrond, beval de opheffing en kende schadevergoeding toe. De minister stelde hoger beroep in. Betrokkene werd bijgestaan door mr. E.J.P. Cats. Afdeling: mr. H.G. Sevenster (vz.), mr. J.Th. Drop, mr. V.V. Essenburg; griffier mr. S.S. Jiawan.
Overwegingen Afdeling
- Reikwijdte art. 8 aanhef en onder h Vw 2000: De minister betoogde dat betrokkene niet als “aanvrager” kon worden aangemerkt. De Afdeling verwerpt dit. Onder verwijzing naar ECLI:NL:RVS:2021:2530 geldt als rechtsregel: ook een vreemdeling die als belanghebbende in afwachting is van een ambtshalve besluit valt onder de reikwijdte van art. 8 aanhef en onder h Vw 2000.
- Art. 64 Vw → rechtmatig verblijf: Toepassing van art. 64 Vw 2000 leidt naar nationaal recht tot rechtmatig verblijf op grond van art. 8 aanhef en onder j Vw 2000. De onderliggende reden voor betrokkenes bezwaar was de lopende art. 64-procedure; zijn situatie viel daarmee onder art. 8 aanhef en onder h Vw 2000.
- Plicht tot grondslagswijziging: Onder verwijzing naar ECLI:NL:RVS:2022:3336 geldt als rechtsregel: zodra een vreemdeling procedureel rechtmatig verblijf verkrijgt, dient de minister de grondslag van de bewaringsmaatregel tijdig te wijzigen. Nu de minister dat naliet, was de bewaring vanaf 29 juni 2023 onrechtmatig.
Conclusie en Gevolgen
- Uitspraak: Hoger beroep ongegrond; uitspraak Rb. Den Haag (zp. Groningen) bevestigd met verbetering van gronden.
- Gevolgen: Bewaring onrechtmatig met ingang van 29 juni 2023; maatregel eerder opgeheven.
- Schadevergoeding: Toegekend door de rechtbank in eerste aanleg (bedrag niet vermeld in RvS-uitspraak).
- Proceskosten hoger beroep: € 907,00 ten laste van de minister.
- Rechtsmiddel: Geen — gewijsde uitspraak van de Afdeling.
Noten
- Art. 59 lid 1 aanhef en onder a Vw 2000
- Art. 8 aanhef en onder h en j Vw 2000
- Art. 64 Vw 2000
- ECLI:NL:RVS:2021:2530 — ook belanghebbende valt onder art. 8 aanhef en onder h Vw
- ECLI:NL:RVS:2022:3336 — plicht tot tijdige grondslagswijziging