ECLI:NL:RBDHA:2025:24046 (Dublin) Rb. Den Haag | zp. Rotterdam | 22-10-2025 | NL24.39443 | Bewaring (art. 59a lid 1 Vw) | Beroep ongegrond
Feiten en Procesverloop
Eiser is op 20 juli 2024 in strafrechtelijke detentie geplaatst na een veroordeling wegens inreis met een vals of vervalst Roemeens paspoort. Op 8 augustus 2024 heeft eiser te kennen gegeven asiel te willen aanvragen en gemeld eerder in Frankrijk asiel te hebben aangevraagd. Verweerder heeft pas op 2 oktober 2024 eiser de gelegenheid gegeven de asielaanvraag in te dienen; het claimverzoek aan de Franse autoriteiten is pas ingediend op 4 oktober 2024. Op 7 oktober 2024 is de maatregel van bewaring opgelegd op grond van art. 59a, eerste lid, Vw 2000 wegens Dublin-aanknopingspunten met Frankrijk. De zitting vond plaats op 16 oktober 2024.
Overwegingen Rechtbank
- Schending inspanningsverplichting – vastgesteld: Verweerder was al vroeg op de hoogte van de (vermoedelijke) einddatum van de strafrechtelijke detentie. Ingevolge A5/6.12 Vc 2000 rustte op verweerder de verplichting te voorkomen dat eiser na afloop in bewaring moest worden gesteld. Door pas op 2 oktober 2024 de asielaanvraag mogelijk te maken (terwijl eiser dit op 8 augustus 2024 had verzocht) en pas op 4 oktober 2024 een claimverzoek in te dienen, is de inspanningsverplichting geschonden. Partijen zijn het hierover eens.
- Gebrek leidt niet tot onrechtmatigheid – belangenafweging: Rechtsregel (ECLI:NL:RVS:2020:764): schending van de inspanningsverplichting leidt niet zonder meer tot onrechtmatigheid van de bewaring; er is ruimte voor een belangenafweging. In eisers geval valt die afweging in het voordeel van verweerder uit. Aan de inreis met een vals Roemeens paspoort wordt zwaar gewicht toegekend; het significante onttrekkingsrisico (valse documenten, onttrekking aan toezicht, geen vaste verblijfplaats) weegt zwaarder dan de schending.
- Overige gebreken: Het aanvankelijk onjuiste CASE-ID in het claimverzoek weegt niet in eisers voordeel, nu de overige gegevens bij de Franse autoriteiten geen misverstand lieten bestaan over de identiteit van eiser. De M122 is tijdig op 23 juli 2024 uitgereikt.
- Lichter middel: Eiser heeft pas in beroep een concreet adres bij een kennis in Den Haag opgegeven (kon bij oplegging niet worden betrokken). Eisers stelling dat hij vrijwillig naar Frankrijk wil vertrekken is niet geloofwaardig nu hij op 7 oktober 2024 in het bewaringsgehoor had verklaard dit niet te willen. Rechtsregel (ECLI:NL:RVS:2015:674, ECLI:NL:RVS:2015:1309, ECLI:EU:C:2014:1320 en ECLI:NL:RVS:2022:1667).
- Ambtshalve toetsing: Conform ECLI:EU:C:2022:858 leidt ambtshalve toetsing niet tot een ander oordeel.
Conclusie en Gevolgen
- Uitspraak: Beroep ongegrond, ondanks vastgestelde schending van de inspanningsverplichting.
- Gevolgen: De maatregel van bewaring blijft van kracht.
- Schadevergoeding: Verzoek afgewezen.
- Proceskosten: Geen veroordeling, ondanks de schending (ECLI:NL:RVS:2018:2243: geen proceskostenveroordeling enkel op grond van inspanningsplichtverzaking).
- Rechtsmiddel: Hoger beroep bij de ABRvS binnen één week na bekendmaking.
Noten
- ECLI:NL:RVS:2020:764 — Schending inspanningsverplichting: ruimte voor belangenafweging; niet zonder meer onrechtmatigheid
- ECLI:NL:RVS:2015:674 — Lichter middel: grondig onderzoek en specifieke motivering
- ECLI:NL:RVS:2015:1309 — Lichter middel: idem
- ECLI:EU:C:2014:1320 — Mahdi: alternatieven voor bewaring
- ECLI:NL:RVS:2022:1667 — Lichter middel bij Dublin-bewaring
- ECLI:EU:C:2022:858 — C, B en X: ambtshalve toetsing
- ECLI:NL:RVS:2018:2243 — Geen proceskostenveroordeling enkel wegens schending inspanningsverplichting
- Artikel 59a, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000
- Verordening (EU) 604/2013 – Dublinverordening