Rb. Den Haag zp Den Haag | 24-12-2025 | ECLI:NL:RBDHA:2025:26883 | NL25.61617 | Vreemdelingenrecht – Verlengingsbesluit bewaring art. 6 Vw | Gegrond; proceskosten EUR 1.814
Feiten/Procesverloop
Eiser, Bengaalse onderdaan, is op 19 juni 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 6 lid 1 en 2 Vw 2000. Bij een eerder beroep (NL25.54667, 20 november 2025) was de bewaring rechtmatig bevonden. Op 15 december 2025 verlengde de minister de bewaring met maximaal twaalf maanden. Eiser had bij aanvang van de asielprocedure een onjuiste naam opgegeven (identiteit 1). In de loop van de procedure legde hij een echt bevonden nationaal identiteitsbewijs over met een andere naam en geboortedatum (identiteit 2, geboren 1992), welke door de rechtbank Noord-Holland in uitspraken NL25.11703 en NL25.11704 van 18 juni 2025 als de juiste is aangenomen. Bij de presentatie aan de Bengaalse autoriteiten ter verkrijging van een laissez-passer werd echter uitsluitend identiteit 1 gebruikt; identiteit 2 werd niet kenbaar gemaakt, ook niet als alias.
Overwegingen
De rechtbank oordeelt dat verweerder onzorgvuldig en onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Verweerder was op de hoogte van de gecorrigeerde identiteit — de rechtbank Noord-Holland had dit al vastgesteld — maar heeft deze niet kenbaar gemaakt aan de Bengaalse autoriteiten. Uit het presentatieverslag blijkt dat enkel identiteit 1 werd gebruikt en identiteit 2 ook niet als alias is opgegeven. Verweerder heeft op zitting evenmin nadere informatie verschaft. Reeds dit gebrek maakt het verlengingsbesluit voor vernietiging vatbaar; de overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer.
Omdat de maatregel pas onrechtmatig wordt met ingang van de uitspraak (24 december 2025) en de bewaring tot dat moment als rechtmatig is beoordeeld, bestaat geen aanleiding voor het toekennen van schadevergoeding.
Conclusie
Het beroep is gegrond. De opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel wordt bevolen met ingang van 24 december 2025. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. De minister wordt veroordeeld in de proceskosten van EUR 1.814.