Rb. Den Haag zp Roermond | 31-12-2025 | ECLI:NL:RBDHA:2025:25584 | NL25.62762 | Vreemdelingenrecht – Bewaring art. 59a Vw / Dublin Oostenrijk | Ongegrond
Feiten/Procesverloop
Eiser, Marokkaans onderdaan (geboren 1995), is op 27 november 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a lid 1 Vw 2000 ter verzekering van een Dublin-overdracht aan Oostenrijk. Op 11 december 2025 nam de minister een zogenoemd kaal overdrachtsbesluit (zonder asielprocedure). De overdracht was voorzien op 7 januari 2026. Op 22 december 2025 berichtte de gemachtigde van eiser het beroep in te trekken en te berusten in de overdracht. De rechtbank sloot aanvankelijk het dossier, maar heropende de zaak op 23 december 2025. Ter zitting van 30 december 2025 deed eiser via een afstandsverklaring afstand van het recht om in persoon gehoord te worden; zijn gemachtigde verscheen niet.
Overwegingen
De rechtbank stelt voorop dat artikel 94 lid 1 Vw 2000 bepaalt dat verweerder de rechtbank van de bewaring in kennis stelt; die kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door de vreemdeling ingesteld beroep. Op grond van artikel 94 lid 4 Vw 2000 vindt de zitting uiterlijk op de veertiende dag na ontvangst van de kennisgeving plaats. Nu eiser na het verstrijken van die termijn nog in bewaring werd gehouden, was de rechtbank onherroepelijk verplicht de rechtmatigheid van de maatregel te beoordelen — ook al stelde eiser geen prijs op die beoordeling. Het dossier had dan ook ten onrechte gesloten te zijn.
Ten aanzien van de non-refoulementtoetsing overweegt de rechtbank dat artikel 4 EU Handvest een absoluut verbod op foltering en onmenselijke behandeling behelst. Zowel verweerder als de rechter is te allen tijde gehouden het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen. De omvang van deze verplichting is niet afhankelijk van de proceshouding van de vreemdeling, de aangewende rechtsmiddelen of de aangevoerde beroepsgronden. Hiermee gaat de rechtbank verder dan de Afdelingsuitspraken van 23 oktober en 29 november 2024, die de artikel 4 Handvest-beoordeling bij een kaal overdrachtsbesluit afhankelijk stelden van een direct beroep door de vreemdeling.
In concreto ziet de rechtbank geen indicaties voor een artikel 4 Handvest-risico bij overdracht naar Oostenrijk. Het overdrachtsbesluit mag worden uitgevoerd.
Conclusie
De met een beroep gelijkgestelde kennisgeving is ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
Noten
1. HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C.B.X.; ambtshalve rechtmatigheidstoetsing)
2. HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar; non-refoulementbeoordeling)
3. ABRvS 29 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4919
4. ABRvS 23 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4244
5. Rb. Den Haag zp Roermond 1 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:17992
6. Rb. Den Haag zp Roermond 5 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:20642