Rb. Den Haag zp Arnhem | 31-12-2025 | ECLI:NL:RBDHA:2025:25709 | NL25.62396 en NL25.62395 | Vreemdelingenrecht – Bewaring art. 59 lid 1 sub a Vw; gezinsleven minderjarige kinderen | ► Gegrond; EUR 1.400 schadevergoeding per eiser
Feiten/Procesverloop
Eisers, echtpaar van Egyptische nationaliteit, ontvingen op 17 december 2025 de uitspraak in hoger beroep waarbij hunD asielaanvragen definitief ongegrond werden verklaard. De jongste zoon (14 jaar) schrok hiervan en vertrok diezelfde avond met zijn oudere broer (18 jaar) om bij een vriend te logeren; de afspraak was dat zij de volgende dag zouden terugkeren. Op 18 december 2025 om 06:22 uur hield de AVIM eisers staande op hun verblijfsplaats in het azc in Nijmegen met het doel het gehele gezin in bewaring te stellen en over te brengen naar Detentiecentrum Zeist. Omdat de kinderen op dat moment bij vrienden logeerden, zijn zij niet aangetroffen. Eisers zijn wel in bewaring gesteld op grond van artikel 59 lid 1 sub a Vw 2000; de kinderen zijn dat niet. Eisers konden gedurende de gehele detentieperiode geen contact leggen met hun kinderen. De uitzetting voor het gehele gezin was gepland op 29 december 2025, maar de vluchten van de kinderen werden geannuleerd terwijl de minister intern akkoord had gegeven voor een gesplitste uitzetting van de ouders. Op het laatste moment dienden eisers opvolgende asielaanvragen in, waarna de uitzetting niet doorging. De zitting vond plaats op 30 december 2025 via beeldverbinding.
Overwegingen
De rechtbank stelt vast dat de zware grond 3c en de lichte gronden 4b en 4c de maatregel kunnen dragen. De minister liet de zware grond 3e en lichte grond 4a tijdens de zitting vallen.
Ten aanzien van het lichter middel oordeelt de rechtbank dat de minister de belangen van de kinderen onvoldoende heeft meegewogen. Van een vrijheidsontnemende maatregel mag slechts gebruik worden gemaakt als aan de vereisten van noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit is voldaan. Bij de staandehouding, en in ieder geval na het gehoor, was voor de minister kenbaar dat het gezin feitelijk gescheiden was en dat eisers niet wisten waar hun kinderen precies waren. Op dat moment had de minister opnieuw en expliciet moeten afwegen of bewaring nog noodzakelijk en proportioneel was. Eisers hadden zich altijd aan hun meldplicht gehouden; een lichter middel zoals een meldplicht lag in de rede.
Van bewuste tegenwerking door eisers of hun kinderen is niet gebleken. Eisers wisten de datum van de staandehouding niet en het is niet onaannemelijk dat de kinderen om 06:22 uur nog bij hun vriend verbleven. De omstandigheid dat eisers een opvolgende asielaanvraag indienden wordt niet aangemerkt als obstructie: zij wilden nieuwe feiten inbrengen en niet de terugkeer frustreren. De omstandigheid dat de minister heeft gepoogd eisers gescheiden van hun kinderen uit te zetten, versterkt het oordeel dat het risico op langdurige gezinsscheiding onvoldoende was afgewogen.
Conclusie
De beroepen zijn gegrond. De maatregelen van bewaring zijn van aanvang af onrechtmatig. De opheffing wordt bevolen met ingang van 31 december 2025. Eisers ontvangen elk EUR 1.400 schadevergoeding (14 dagen × EUR 100) en de minister wordt veroordeeld in de proceskosten van EUR 1.814 gezamenlijk.
Noten
1. ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829 (feitelijke vaststelling gronden)
2. ABRvS 2 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1409
3. HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar)
4. HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858