Rb. Den Haag zp Roermond | 31-12-2025 | ECLI:NL:RBDHA:2025:25580 | NL25.61947 | Vreemdelingenrecht – Bewaring art. 59 lid 1 sub a Vw / EU-burger verwijdering Polen | ► Ongegrond
Feiten/Procesverloop
Eiser, Pools onderdaan (geboren 1993), is op 17 december 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 lid 1 sub a Vw 2000 ter uitvoering van een verwijderingsbesluit van 23 oktober 2025, waarbij was vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht. Eiser heeft geen rechtsmiddel ingesteld tegen dat verwijderingsbesluit, zodat dit in rechte vaststaat. Eiser kampt met astma en heeft half jaar eerder een behandeling aan steekwonden in zijn knie ondergaan. De zitting vond plaats op 30 december 2025.
Overwegingen
Verweerder betoogt dat de bewaringsrechter niet bevoegd is te beoordelen of de verwijdering naar Polen in strijd is met het Handvest, omdat het Adrar-arrest uitsluitend ziet op bewaringsmaatregelen die stoelen op richtlijn 2008/115 (Terugkeerrichtlijn). Als EU-burger valt eiser immers niet onder die richtlijn maar onder de Verblijfsrichtlijn. De rechtbank verwerpt dit betoog. De bewaring strekt tot uitvoering van het verwijderingsbesluit als bedoeld in artikel 15 Verblijfsrichtlijn; door het nemen en ten uitvoer leggen van dat besluit wordt het Unierecht uitgevoerd en is het Handvest van toepassing. Artikel 4 EU Handvest heeft een absoluut karakter, zodat de bewaringsrechter die de rechtmatigheid van de maatregel controleert verplicht is te beoordelen of artikel 4 Handvest zich verzet tegen de verwijdering. Kan het verwijderingsbesluit niet worden uitgevoerd, dan ontbreekt het voor bewaring van een EU-burger vereiste redelijk vooruitzicht op verwijdering.
Uitgangspunt bij deze beoordeling is het in rechte vaststaande verwijderingsbesluit; de bewaringsrechter geeft geen oordeel over de rechtmatigheid van dat besluit zelf. Ter zitting zijn beide partijen in de gelegenheid gesteld een standpunt in te nemen over een eventueel artikel 4 Handvest-risico. Eiser heeft ter zitting erkend dat hij in Polen eerder astma-medicatie heeft ontvangen; niet is onderbouwd dat een lopende behandeling voor zijn knie niet beschikbaar zou zijn in Polen dan wel dat dit tot een artikel 4-schending zou leiden. De rechtbank constateert geen indicaties voor een reël en voorzienbaar refoulementrisico.
Conclusie
Het beroep is ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
Noten
1. Rb. Den Haag zp Roermond 9 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:18617 (beoordelingskader art. 4 Handvest bij bewaring EU-burger)