Rb. Den Haag zp Groningen | 08-01-2025 | ECLI:NL:RBDHA:2025:186 | NL24.49626 | Vreemdelingenrecht – Vervolgberoep bewaring art. 59b Vw | Ongegrond
Feiten/Procesverloop
Eiser, Algerijns onderdaan, is op 15 oktober 2024 in bewaring gesteld op grond van artikel 59b lid 1 Vw 2000. Een eerder vervolgberoep (NL24.40248, 30 oktober 2024) leidde tot het oordeel dat de bewaring tot 25 oktober 2024 rechtmatig was. Ten tijde van de onderhavige zitting (3 januari 2025) zat eiser al onafgebroken in bewaring sinds 16 mei 2024 — ruim zeven maanden. Zijn asielaanvraag was bij besluit van 9 november 2024 afgewezen; de beroepsprocedure daartegen liep nog. De zitting vond op 3 januari 2025 plaats.
Overwegingen
Eiser betoogt dat de minister geen kenbare verzwaarde belangenafweging heeft gemaakt, hoewel hij meer dan zes maanden in bewaring zit. De rechtbank verwerpt dit betoog. Op 11 november 2024 is een kenbare en deugdelijke verzwaarde belangenafweging gemaakt, zoals ook volgt uit de voortgangsrapportage. Tevens bevat het asielbesluit van 9 november 2024 een deugdelijke verzwaarde belangenafweging. Dat dit besluit pas op de dag van de zitting aan het dossier is toegevoegd, staat er niet aan in de weg dat het in de beoordeling wordt betrokken; van eiser mag worden verwacht dat hij bekend is met een besluit over zijn eigen asielaanvraag.
Ten aanzien van de asielprocedure oordeelt de rechtbank dat de beroepsprocedure nog loopt, dat binnen afzienbare tijd een uitspraak wordt verwacht en dat de drie-maandentermijn van artikel 59b lid 2 Vw 2000 nog niet is overschreden. Er bestaat geen grond de bewaring thans op te heffen.
Eisers klacht dat hij een operatie aan zijn hand nodig heeft, slaagt evenmin. De medische dienst heeft eisers hand onderzocht en geoordeeld dat een operatie niet noodzakelijk is. De medische zorgverlening in het detentiecentrum is gelijkwaardig aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij — een oordeel dat in de eerdere uitspraak van 30 oktober 2024 al was neergelegd en in de onderhavige beoordelingsperiode niet is veranderd. Overige persoonlijke omstandigheden die aanleiding zouden geven tot een lichter middel zijn niet aannemelijk geworden.
Conclusie
Het beroep is ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.