ABRvS | 23-12-2025 | ECLI:NL:RVS:2025:6247 | BRS.25.000026 | Vreemdelingenrecht – Hoger beroep bewaring art. 59 lid 1 sub a Vw | HB minister gegrond
Feiten/Procesverloop
Betrokkene, Algerijns onderdaan, werd op 27 december 2024 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 lid 1 sub a Vw 2000, aansluitend op een strafrechtelijke detentie (14 oktober – 27 december 2024). Eerder had hij ook strafrechtelijk vastgezeten van 28 juni tot 25 augustus 2024. Bij terugkeerbesluit van 22 mei 2024 was hem een vertrekplicht opgelegd; na zijn vrijlating op 25 augustus 2024 verbleef hij nog een maand in azc Ter Apel maar vertrok hij niet. Gronden: zwaar 3b, 3c en licht 4a, 4c, 4d; niet betwist. Betrokkene had meerdere keren verklaard niet mee te willen werken aan terugkeer naar Algerije. Rechtbank Den Haag zp Zwolle (8 januari 2025, NL24.51784) verklaarde het beroep gegrond en kende schadevergoeding toe. De minister stelde hoger beroep in.
Overwegingen
De Afdeling acht beide grieven gegrond. Een feitelijke vaststelling van een zware grond kan volstaan voor het individuele motiveringsvereiste. Voor grond 3c heeft de minister feitelijk toegelicht dat betrokkene de vertrekplicht niet heeft nageleefd, hoewel hij daartoe voldoende tijd had. De lichte grond 4a is onderbouwd met de mededeling dat betrokkene niet beschikt over het vereiste reisdocument. Beide gronden tezamen rechtvaardigen in beginsel de aanname van een risico op onderduiken.
De omstandigheid dat betrokkene zich na zijn vrijlating bij het azc in Ter Apel heeft gemeld, contact heeft gehad met zijn advocaat en heeft verklaard zijn meldplicht te zullen nakomen, heft het risico op onderduiken niet op. De feitelijke juistheid van grond 3c en grond 4a worden door die omstandigheden niet aangetast. Nu betrokkene bovendien herhaaldelijk heeft verklaard niet mee te willen werken aan terugkeer naar Algerije, behoefde de minister er niet op te vertrouwen dat hij zijn meldplicht daadwerkelijk zou nakomen.
Conclusie
Het hoger beroep van de minister is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het beroep is ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
Noten
1. ABRvS 25 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5663 (feitelijke vaststelling grond volstaat voor individuele motivering)
2. ABRvS 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5262 (meldplichtnaleving ondermijnt onttrekkingsrisico niet)