Dublinoverdracht: identiteit bekend. LP is ID.

Rb. Den Haag | zp Middelburg | 17-06-2025 | ECLI:NL:RBDHA:2025:10623 | NL25.24394 | Vreemdelingenrecht (art. 50 Vw 2000 — staandehouding, overbrenging en ophouding) | Beroep ongegrond


Feiten en Procesverloop

Eiser (gestelde Marokkaanse nationaliteit, geboren 2000) is op 30 mei 2025 staande gehouden, overgebracht en opgehouden op grond van art. 50 Vw 2000. Eiser was kort daarvoor vanuit Zwitserland overgedragen aan Nederland op grond van de Dublinverordening (EU) nr. 604/2013, met een door de Zwitserse autoriteiten afgegeven laissez-passer. In Nederland had eiser op het moment van staandehouding nog geen asielaanvraag ingediend. Eiser heeft beroep ingesteld op 30 mei 2025, aangevuld op 6 juni 2025; verweerder heeft op dezelfde dag een verweerschrift ingediend. Het onderzoek is gesloten op 16 juni 2025.


Overwegingen Rechtbank

1. Staandehouding (art. 50 lid 1 Vw):

Eiser is vanuit Zwitserland overgedragen op grond van de Dublinverordening maar had in Nederland nog geen asielaanvraag ingediend. Onder die omstandigheden mocht verweerder aannemen dat geen sprake was van rechtmatig verblijf. Een Dublin-overdracht brengt zonder ingediende asielaanvraag in Nederland geen procedureel rechtmatig verblijf mee. De staandehouding is rechtmatig.

2. Overbrenging en ophouding — art. 50 lid 3 vs. lid 2 Vw:

Eiser stelt dat hij niet beschikte over verifieerbare identiteitsdocumenten in de zin van art. 4.21 Vb 2000, zodat zijn identiteit niet onmiddellijk kon worden vastgesteld. Omdat art. 50, derde lid, Vw nu juist vereist dat de identiteit onmiddellijk vaststaat, was dit lid onjuist toegepast; art. 50 lid 2 Vw had moeten worden gebruikt.

Voorts stelt eiser dat het proces-verbaal M105 ten onrechte vermeldt dat zijn verblijf bij voorbaat als onrechtmatig moet worden aangemerkt.

De rechtbank verwerpt dit. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de identiteit en nationaliteit van eiser bij aankomst reeds bekend waren via de laissez-passer, afgegeven door de Zwitserse autoriteiten. Dit voldoet aan het vereiste van onmiddellijke vaststelling in art. 50 lid 3 Vw.

Onder verwijzing naar ECLI:NL:RVS:2014:1105 — art. 50 lid 3 Vw biedt een zelfstandige grondslag voor overbrenging en ophouding ter voorbereiding van een bewaringsmaatregel en sluit verificatiehandelingen tijdens de ophouding niet uit — is de toepassing van lid 3 rechtmatig. De omstandigheid dat verweerder tijdens de ophouding nog nader onderzoek heeft verricht, maakt dit niet anders.

De overbrenging en ophouding zijn rechtmatig.


Conclusie en Gevolgen

  • Uitspraak: Beroep ongegrond; staandehouding, overbrenging en ophouding rechtmatig.
  • Schadevergoeding: Afgewezen.
  • Proceskosten: Geen veroordeling.
  • Rechtsmiddel: Hoger beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.

Noten

  • ECLI:NL:RVS:2014:1105 — ABRvS 19 maart 2014: art. 50, derde lid, Vw biedt een zelfstandige grondslag voor overbrenging en ophouding ter voorbereiding van een bewaringsmaatregel; nader onderzoek tijdens ophouding maakt toepassing van dit lid niet onrechtmatig.
  • Artikel 50, eerste en derde lid, Vreemdelingenwet 2000 — staandehouding op redelijk vermoeden illegaal verblijf (lid 1); overbrenging en ophouding ter vaststelling van verblijfsrechtelijke positie en voorbereiding bewaring (lid 3).
  • Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) — grondslag voor overdracht vanuit Zwitserland; brengt zonder ingediende asielaanvraag in Nederland geen rechtmatig verblijf mee.

Ontdek meer van Jurisprudentie vreemdelingenbewaring

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder