Dublinoverdracht. Toch identiteit onbekend


Rb. Den Haag | zp Middelburg | 17-06-2025 | ECLI:NL:RBDHA:2025:10504 | NL25.24238 | Vreemdelingenrecht (art. 59b lid 1 sub b en c Vw 2000) | Beroep ongegrond


Feiten en Procesverloop

Eiser (gestelde Algerijnse nationaliteit, geboren 2003) is in het kader van de Dublinverordening (EU) nr. 604/2013 vanuit België aan Nederland overgedragen. Op 28 mei 2025 is hij opgehouden op grond van art. 50, tweede lid, Vw 2000 en vervolgens in bewaring gesteld op grond van art. 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c, Vw 2000. Eiser heeft eerder in Nederland asiel aangevraagd en is in eerdere procedures met onbekende bestemming vertrokken. Hij bezit geen identiteitsdocumenten. De zitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2025; de zaak is telefonisch behandeld na instemming van partijen.

Eiser voert twee beroepsgronden aan: (1) de ophouding had niet op grond van art. 50 lid 2 Vw maar op grond van art. 50a Vw (voorbereiding bewaring na Dublin-overdracht) moeten plaatsvinden; (2) de maatregel van bewaring is onrechtmatig.


Overwegingen Rechtbank

1. Grondslag ophouding — art. 50 lid 2 vs. art. 50a Vw:

Eiser stelt dat zijn identiteit en nationaliteit vaststonden op het moment van ophouding, omdat hij eerder in Nederland asiel heeft aangevraagd en via een Dublin-overdracht is teruggekeerd. De juiste grondslag was daarom art. 50a Vw (voorbereiding bewaring), niet art. 50 lid 2 Vw.

De rechtbank verwerpt dit. Uit het proces-verbaal blijkt dat eiser geen identiteitsdocumenten bezat én in eerdere procedures met onbekende bestemming was vertrokken. Reeds eerder asiel aanvragen in Nederland maakt de identiteit en nationaliteit bij gebrek aan documenten en eerdere verdwijning niet zonder meer vaststaand. Verweerder mocht eiser dus ophouden op grond van art. 50, tweede lid, Vw (redelijk vermoeden illegaal verblijf). De beroepsgrond slaagt niet.

2. Maatregel van bewaring — grondslag art. 59b lid 1 sub b en c:

De bewaring is opgelegd omdat (b) gegevens nodig zijn voor de beoordeling van de asielaanvraag en (c) op redelijke gronden kan worden aangenomen dat de asielaanvraag louter is ingediend om verwijdering te vertragen of voorkomen.

Bewaringsgronden (art. 5.1b Vb 2000):

  • Zware gronden (onbetwist door eiser):
  • 3f – zich zonder noodzaak ontdaan van reis- of identiteitsdocumenten.
  • Overige zware gronden (onttrekking aan toezicht, niet-naleving terugkeerbesluit, niet-naleving inreisplicht): feitelijk juist en onbetwist; verweerder heeft ter zitting één van de aangevoerde gronden laten vallen.
  • Lichte gronden:
  • 4b – meerdere niet-gehonoreerde verblijfsvergunningaanvragen.
  • 4c – geen vaste woon-/verblijfplaats.
  • 4d – onvoldoende middelen van bestaan.

De rechtbank stelt vast dat eiser de zware gronden niet heeft betwist. De gronden zijn feitelijk juist en voldoende toegelicht in de maatregel. Het risico op onttrekking is daarmee gegeven; de overige lichte gronden behoeven geen bespreking.

3. Ambtshalve toetsing:

De rechtbank ziet geen grond om te oordelen dat de maatregel op enig moment vóór sluiting van het onderzoek onrechtmatig is geweest.


Conclusie en Gevolgen

  • Uitspraak: Beroep ongegrond; bewaring blijft voortduren.
  • Schadevergoeding: Afgewezen.
  • Proceskosten: Geen veroordeling.
  • Rechtsmiddel: Hoger beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.

Noten


Ontdek meer van Jurisprudentie vreemdelingenbewaring

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder