Zelf ticket geboekt en paspoort verschaft: geen reden meer voor voortzetting bewaring

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State | 24-09-2025 | ECLI:NL:RVS:2025:4496 | BRS.24.000447 | Vreemdelingenrecht (art. 59 lid 1 sub a / art. 59 lid 3 Vw 2000) | Hoger beroep gegrond


Feiten en Procesverloop

Appellant (Turkse nationaliteit) is op 4 november 2024 in bewaring gesteld op grond van art. 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000. Op 3 november 2024 had appellant zijn paspoort overhandigd; vlak na de oplegging van de maatregel had hij een vliegticket geboekt voor terugkeer naar Turkije.

Rb. Den Haag, zp Rotterdam, verklaarde het beroep bij uitspraak van 18 november 2024 (NL24.43297) ongegrond. De rechtbank oordeelde dat de minister de bewaring niet had hoeven beëindigen op grond van art. 59, derde lid, Vw 2000, omdat niet aannemelijk was dat appellant daadwerkelijk zelfstandig naar Turkije zou terugkeren. Appellant stelde hoger beroep in. De bewaring was reeds opgeheven.


Overwegingen Afdeling

De zaak is behandeld met toepassing van art. 8:54, eerste lid, Awb (vereenvoudigde behandeling).

Vertrekwens — concretiseringstoets:

Appellant voert aan dat de minister hem op grond van art. 59, derde lid, Vw in de gelegenheid had moeten stellen vrijwillig te vertrekken. De Afdeling overweegt, onder verwijzing naar ECLI:NL:RVS:2012:BY7395 en ECLI:NL:RVS:2020:2787 — bij de beoordeling of de vertrekverklaring van een vreemdeling voor waar kan worden aanvaard, is van belang of deze verklaring is geconcretiseerd en of de minister feiten of omstandigheden heeft gesteld die daar afbreuk aan doen — het volgende:

Appellant heeft zijn vertrekwens geconcretiseerd door op 3 november 2024 zijn paspoort te overhandigen en vlak na de inbewaringstelling een vliegticket te boeken. De minister heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die voldoende afbreuk doen aan deze geconcretiseerde vertrekwens. Eerdere tegenstrijdige verklaringen van appellant doen niet af aan de latere geconcretiseerde vertrekwens. De minister had de bewaring op grond van art. 59, derde lid, Vw moeten beëindigen. De maatregel was onrechtmatig vanaf 4 november 2024. De grief slaagt.

Gelet op de onrechtmatigheid van de maatregel bestaat geen aanleiding voor verdere ambtshalve toetsing.


Conclusie en Gevolgen

  • Uitspraak: Hoger beroep gegrond. Uitspraak Rb. Den Haag, zp Rotterdam, van 18 november 2024 vernietigd. Beroep gegrond.
  • Bewaring: Al opgeheven; opheffingsbevel niet meer nodig.
  • Schadevergoeding: € 1.700,- (periode 4 november 2024 t/m 20 november 2024 = 17 dagen × €100 detentiecentrum), te betalen door de griffier van de Raad van State.
  • Proceskosten: € 2.721,- (beroep én hoger beroep gezamenlijk).
  • Rechtsmiddel: Geen gewoon rechtsmiddel meer open (uitspraak in hoger beroep).

Noten


Ontdek meer van Jurisprudentie vreemdelingenbewaring

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder