Van intrekking aanvraag asiel blijkt niets ter zitting

Rb. Den Haag | zp Arnhem | 04-07-2025 | ECLI:NL:RBDHA:2025:13290 | NL25.27134 | Vreemdelingenrecht (art. 59b lid 1 Vw 2000) | Beroep ongegrond


Feiten en Procesverloop

Eiser (nationaliteit niet vermeld) heeft op 11 juni 2025 een asielaanvraag ingediend, waarop nog niet is beslist. Eiser heeft daarmee rechtmatig verblijf op grond van art. 8, aanhef en onder f, Vw 2000. Op 12 juni 2025 is eiser in bewaring gesteld op grond van art. 59b, eerste lid, Vw 2000. Op 27 juni 2025 heeft eiser aangegeven zijn asielaanvraag te willen intrekken; het intrekkingsdocument is echter niet door hem ondertekend. De zitting heeft plaatsgevonden op 1 juli 2025 via beeldverbinding.


Overwegingen Rechtbank

1. Wijziging grondslag maatregel — niet-ondertekende intrekkingsverklaring:

Eiser betoogt dat zijn asielaanvraag op 27 juni 2025 is ingetrokken, zodat de grondslag (art. 59b Vw) had moeten worden gewijzigd; nu dat niet binnen de vereiste 48 uur is gebeurd, is de maatregel sindsdien onrechtmatig.

De rechtbank verwerpt dit. Aan het begin van de zitting heeft de rechtbank eiser het intrekkingsdocument voorgehouden; eiser heeft onomwonden verklaard dat hij zijn asielaanvraag niet wilde intrekken. Het document was bovendien niet ondertekend. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de asielaanvraag daadwerkelijk is ingetrokken. De grondslag (art. 59b) was ongewijzigd van kracht. De beroepsgrond slaagt niet.

2. Staandehouding en ophouding op grond van art. 50a Vw — geen Dublin-situatie vereist:

Eiser betoogt dat art. 50a Vw 2000 niet als grondslag kon dienen voor de staandehouding en ophouding, omdat geen Dublin-situatie op hem van toepassing was.

De rechtbank verwerpt dit. Art. 50a Vw biedt een grondslag voor staandehouding en ophouding ter voorbereiding van een inbewaringstelling van een vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft — ook op grond van een asielaanvraag (art. 8 sub f Vw). De bepaling is niet beperkt tot Dublin-situaties; zij ziet op de voorbereiding van bewaring op grond van zowel art. 59a als art. 59b Vw. De beroepsgrond slaagt niet.

3. Vertrouwelijkheid rechtsbijstand (art. 104 Vw 2000):

Eiser betoogt dat art. 104 Vw is geschonden omdat een derde aanwezig was bij het telefonische contact met de raadsman. De rechtbank oordeelt dat de raadsman zelf toestemming heeft gegeven voor de aanwezigheid van die derde. Van een schending van de vertrouwelijkheid van de rechtsbijstand is geen sprake.

4. Ambtshalve toetsing:

De rechtbank ziet geen grond om te oordelen dat de maatregel op enig moment niet aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voldeed.


Conclusie en Gevolgen

  • Uitspraak: Beroep ongegrond; bewaring blijft voortduren.
  • Schadevergoeding: Afgewezen.
  • Proceskosten: Geen veroordeling.
  • Rechtsmiddel: Hoger beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.

Noten

  • ECLI:EU:C:2022:858 — HvJ EU 8 november 2022: bewaring vormt een ernstige inmenging op het recht op vrijheid en is alleen rechtmatig bij een geldige wettelijke grondslag; ambtshalve toetsing vereist.
  • Artikel 50a Vreemdelingenwet 2000 — staandehouding en ophouding ter voorbereiding van inbewaringstelling van vreemdeling met rechtmatig verblijf; ook van toepassing buiten Dublin-context.
  • Artikel 59b, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000 — bewaring in het belang van de openbare orde: vaststelling identiteit/nationaliteit of beoordeling asielaanvraag.
  • Artikel 104 Vreemdelingenwet 2000 — vertrouwelijkheid van het contact tussen vreemdeling en zijn raadsman.

Ontdek meer van Jurisprudentie vreemdelingenbewaring

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder