Rb. Den Haag | Zittingsplaats Haarlem | 10-04-2026 | ECLI:NL:RBDHA:2026:9261 | NL26.14774 (verwezen: NL26.4999; NL26.12427) | Vreemdelingenrecht (bestuursrecht) | Beroep gegrond; verzoek om herziening afgewezen
Feiten en Procesverloop
Eiser stelt Marokkaan te zijn, geboren 1971 (r.o. 1). Bewaring opgelegd 21 januari 2026 (art. 59 lid 1 aanhef en onder a Vw); beroep tegen het voortduren met verzoek om schadevergoeding en herziening; voortgangsrapportage; bewaring opgeheven 10 maart 2026; zitting 30 maart 2026.
Eerder getoetst bij uitspraak van 12 februari 2026: rechtmatig tot sluiting onderzoek 9 februari 2026 (r.o. 2.1). Eiser: bij in totaal meer dan zes maanden bewaring op hetzelfde terugkeerbesluit had een verlengingsbesluit moeten volgen (Aroja); de maatregel is van begin af onrechtmatig.
Overwegingen Rechtbank
- Door de opheffing is alleen schadevergoeding aan de orde; de periode sinds 9 februari 2026 is van belang (r.o. 2, 2.2).
- HvJ-EU 5 maart 2026, Aroja, ECLI:EU:C:2026:148 (r.o. 3.2): bij een totale duur van zes maanden bewaring ter uitvoering van hetzelfde terugkeerbesluit moet een verlengingsbesluit worden genomen; alle afzonderlijke bewaringsperiodes onder datzelfde terugkeerbesluit worden opgeteld.
- Terugkeerbesluit van 29 maart 2019 (afwijzing aanvraag EU/EER-verblijfsdocument met vertrekbevel binnen vier weken). Bewaringsperiodes: 15 juni-31 augustus 2023; 15 september 2023-8 maart 2024; 21 januari-10 maart 2026. Totaal langer dan zes maar korter dan achttien maanden. Verlengingsbesluit ontbreekt; beroep gegrond (r.o. 3.3-3.4).
- Herziening: art. 8:119 Awb vereist feiten of omstandigheden van vóór de te herziene uitspraak; Aroja is later gewezen (r.o. 3.5.1). HvJ-EU Kühne en Heitz (ECLI:EU:C:2004:17; de uitspraak noemt ’13 januari 2024′): een bestuursorgaan moet onder strikte voorwaarden terugkomen op een besluit dat op een onjuiste uitleg van het Unierecht berust. HvJ-EU Kapferer, 16 maart 2006, ECLI:EU:C:2006:178, r.o. 21 en 23: het Unierecht verplicht de nationale rechter niet een onherroepelijke uitspraak te herzien; Kühne en Heitz doet daar niet aan af. De uitspraak van 12 februari 2026 is in kracht van gewijsde; herziening afgewezen (r.o. 3.5.2). Rb. Den Haag zp Amsterdam 25 maart 2026 (NL26.12427) leidt niet tot een ander oordeel. HR 11 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:843 (herziening in strafzaken na EHRM-schending): niet aan de orde.
- Zware (art. 5.1b lid 3 Vb) en lichte gronden (lid 4): niet besproken.
Conclusie en Gevolgen
De zes maanden waren al verstreken ten tijde van de uitspraak van 12 februari 2026; de maatregel heeft van 9 februari 2026 tot de opheffing op 10 maart 2026 onrechtmatig voortgeduurd (r.o. 4). Schadevergoeding (art. 106 Vw): 29 dagen x EUR 120 (detentiecentrum) = EUR 3.480 (rechtbanktarief wijkt af van prompt, EUR 100); geen matiging vermeld. Proceskosten EUR 1.868 (2 punten x EUR 934, factor 1). Rechtsmiddel: geen rechtsmiddel open.
Noten
ECLI:EU:C:2026:148; ECLI:EU:C:2004:17; ECLI:EU:C:2006:178; ECLI:NL:HR:2024:843; Vw 2000; Awb
