Rb. Den Haag | RECHTBANK DEN HAAG / Zittingsplaats Arnhem | 10-04-2026 | ECLI:NL:RBDHA:2026:8614 | NL26.16503 | Vreemdelingenrecht (bestuursrecht) | Beroep ongegrond
Feiten en Procesverloop
Nationaliteit en geboortejaar niet vermeld; uit de uitspraak volgt alleen dat uitzetting naar Irak voorligt. Bewaring opgelegd 9 januari 2026 (art. 59 lid 1 aanhef en onder a Vw); duurt voort. Eerder getoetst bij uitspraak van 27 januari 2026 (zp Arnhem, ECLI:NL:RBDHA:2026:1250; onderzoek gesloten 20 januari 2026).
Vervolgberoep tegen het voortduren ingesteld 24 maart 2026 met verzoek om schadevergoeding. Minister diende op 1 april 2026 een kennisgeving voortduren en voortgangsrapportage in; eiser reageerde. Zitting 7 april 2026.
Eiser stelt: geen zicht op uitzetting (aanvraag uitstel van vertrek art. 64 Vw met BMA-advies: medische noodsituatie binnen drie tot zes maanden zonder behandeling; reisvoorwaarden begeleiding en overdracht behandelaar; twee geannuleerde vluchten; Iraaks luchtruim dicht); onvoldoende voortvarendheid (geen nieuwe vlucht); lichter middel (wil terugkeren, broer in Erbil, meldplicht, medische situatie).
Overwegingen Rechtbank
- Toetsing beperkt tot het voortduren sinds sluiting van het vorige onderzoek (20 januari 2026); toetsingskader art. 96 lid 3 Vw.
- Zicht op uitzetting: de art. 64-aanvraag is een aparte procedure en niet relevant voor de toetsing van de bewaring; de minister lichtte toe dat de reisvoorwaarden uit het BMA-advies binnen redelijke termijn realiseerbaar zijn (niet weersproken). Het gesloten Iraakse luchtruim is een tijdelijk beletsel; geen aanwijzingen dat het niet binnen redelijke termijn heropent; dit weegt zwaarder naarmate de bewaring langer duurt. Zicht aanwezig.
- Voortvarendheid: vertrekgesprekken op 19 februari en 3 april 2026; nog geen vlucht gepland in afwachting van beslissing op de art. 64-aanvraag. Voldoende voortvarend.
- Lichter middel: medische zorg in het detentiecentrum is gelijkgesteld met zorg in de vrije maatschappij en niet gebleken ontoereikend; geen bijzondere omstandigheden.
- Zware en lichte gronden (art. 5.1b lid 3 en 4 Vb): niet benoemd, niet besproken.
- Ambtshalve toetsing: geen grond voor ander oordeel (voetnoot verwijst naar HvJ-EU 4 september 2025, Adrar, ECLI:EU:C:2025:647 en HvJ-EU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858; de rechtsregel is niet nader toegelicht).
Conclusie en Gevolgen
Beroep ongegrond; verzoek schadevergoeding afgewezen; geen proceskostenveroordeling. Rechtsmiddel: geen rechtsmiddel vermeld in de uitspraak.
Noten
ECLI:NL:RBDHA:2026:1250; ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar); ECLI:EU:C:2022:858; Vw 2000
