AbRS | 16 januari 2025 | ECLI:NL:RVS:2025:139 | Hoger beroep ongegrond
HB zp. Arnhem / NL24.44973
Bewaring | Schadevergoeding | Proceskostenvergoeding
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het hoger beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard. De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, had eerder het beroep tegen de inbewaringstelling ongegrond verklaard en geen aanvullende proceskostenvergoeding toegekend.
De vreemdeling was op 14 november 2024 in bewaring gesteld, maar de minister had deze maatregel dezelfde dag opgeheven. Vervolgens bood de minister een schadevergoeding van €100 en een proceskostenvergoeding van €875 (één punt) aan. De vreemdeling handhaafde zijn beroep bij de rechtbank, omdat hij een dubbele schadevergoeding wenste. De rechtbank wees dit verzoek af en kende geen aanvullende proceskostenvergoeding toe.
In hoger beroep voerde de vreemdeling aan dat de bewaring “détournement de procédure” opleverde en dat de minister daarom een hogere schadevergoeding en een proceskostenvergoeding van twee punten had moeten toekennen. De Afdeling overweegt echter dat de rechtbank dit betoog niet heeft gevolgd en het beroep ongegrond heeft verklaard. Nu de rechtbank terecht geen aanvullende proceskostenveroordeling heeft uitgesproken, faalt de grief van de vreemdeling.
Aangezien de minister al had erkend dat de bewaring onrechtmatig was en schadevergoeding had aangeboden, is ambtshalve toetsing niet meer aan de orde.
Uitspraak: Hoger beroep ongegrond. Uitspraak rechtbank bevestigd. Geen proceskostenvergoeding in hoger beroep.
Geef een reactie