AbRS | 22 januari 2025 | ECLI:NL:RVS:2025:157 | Hoger beroep gegrond
HB zp. Roermond / NL24.20259
Bewaring | Handboeien bij overbrenging | Consulaire bijstand | Belangenafweging
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het hoger beroep van de minister gegrond verklaard. De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, had eerder het beroep van de vreemdeling gegrond verklaard, de bewaring opgeheven en schadevergoeding toegekend.
De vreemdeling werd op 3 mei 2024 staande gehouden en in bewaring gesteld. Tijdens de overbrenging werden hem handboeien aangelegd. De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom dit noodzakelijk was en tot opheffing bewaring besloten. De Afdeling overweegt echter dat de rechtbank ten onrechte een proces-verbaal van 21 mei 2024 buiten beschouwing heeft gelaten, waarin was gemotiveerd dat de vreemdeling eerder niet was verschenen bij een geplande vlucht en had verklaard liever illegaal in Nederland of België te verblijven. Toch acht de Afdeling de in dit proces-verbaal neergelegde feiten en omstandigheden zijn te vaag en te algemeen om te concluderen dat op 3 mei 2024 sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 22 van de Ambtsinstructie.
De rechtbank had geoordeeld dat de minister standaardmatig een veiligheidsrisico aannam bij de overbrenging en het standaardmatig aanleggen van handboeien. De Afdeling stelt echter dat deze gevolgtrekking niet gemaakt kan worden en dat de minister een groot belang had om de vreemdeling in bewaring te houden. De geplande uitzetting op 8 juni 2024 en de inspanningen om zijn vertrek te realiseren, rechtvaardigen de voortduring van de maatregel.
Daarnaast voerde de vreemdeling aan dat hij bij zijn ophouding had verzocht om consulaire bijstand, maar dat de minister geen contact opnam met de Jordaanse autoriteiten. De Afdeling erkent dit gebrek, maar acht het niet ernstig genoeg om de bewaring onrechtmatig te verklaren.
De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond. Wel dient de minister de proceskosten van de vreemdeling te vergoeden vanwege de vastgestelde procedurele gebreken.
Uitspraak: Hoger beroep gegrond. Uitspraak rechtbank vernietigd. Beroep ongegrond. Geen schadevergoeding. Proceskostenvergoeding toegekend.
Geef een reactie