HB Lichter middel/ familiebanden: bewaring rechtmatig

AbRS | 8 januari 2025 | ECLI:NL:RVS:2025:19 | Hoger beroep gegrond
HB zp. Amsterdam / NL24.40980

Grensdetentie | Artikel 6, derde lid, Vw 2000 | Motiveringsplicht minister | Belang van familiebanden

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geoordeeld dat de minister terecht een vrijheidsontnemende maatregel heeft opgelegd aan een Venezolaanse vreemdeling die op Schiphol een asielaanvraag indiende. De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, had het beroep van de vreemdeling gegrond verklaard wegens een motiveringsgebrek, maar de Afdeling vernietigt deze uitspraak.

De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom geen lichter middel dan grensdetentie kon worden toegepast, mede gelet op het feit dat de vreemdeling een minderjarige zoon in Nederland had. De Afdeling overweegt echter dat de vreemdeling, toen haar zienswijze werd gevraagd, expliciet verklaarde geen bezwaar te hebben tegen de maatregel en haar zoon niet als relevante omstandigheid aanvoerde. De minister was daarom niet gehouden nader te motiveren waarom grensdetentie noodzakelijk was.

De Afdeling stelt verder vast dat de minister voortvarend heeft gehandeld door de maatregel binnen twee dagen na ontvangst van aanvullende informatie van de vreemdeling en één dag na het aanmeldgehoor op te heffen. Het beroep is ongegrond en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak: Hoger beroep gegrond. Uitspraak rechtbank vernietigd. Beroep ongegrond. Geen schadevergoeding.

Geef een reactie

Ontdek meer van Jurisprudentie vreemdelingenbewaring

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder