Vertrek buitenland niet aangetoond. Geen bewijs. Beroep ongegrond.

Bewaring – Grondslag en inspanningsverplichting – ECLI:NL:RBDHA:2025:966

Rb. Den Haag (zp Middelburg) | 28 januari 2025 | NL25.1513 | Bewaring – Grondslag – Voortraject – Informatieplicht – Ongegrond

Feiten en Procesverloop

Eiser, van Poolse nationaliteit, is op 11 januari 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

Eiser is op 15 mei 2024 uitgezet naar Polen, waar hij verbleef tot 8 december 2024, waarna hij opnieuw naar Nederland is teruggekeerd.

De minister heeft de bewaring op 17 januari 2025 opgeheven omdat eiser opnieuw is uitgezet.

De rechtbank heeft het beroep op 22 januari 2025 op zitting behandeld. De beoordeling in deze zaak beperkt zich tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend.

Eiser voert aan dat de bewaring onrechtmatig was, omdat:

  1. Het verwijderingsbesluit van 25 oktober 2023 was uitgewerkt.
  2. De maatregel van bewaring niet correct is uitgereikt volgens artikel 5.3, eerste lid, Vb 2000.
  3. Hij langer dan de toegestane zes uur is opgehouden.
  4. De minister niet voortvarend heeft gehandeld tijdens zijn strafrechtelijke detentie.

Overwegingen Rechtbank

  1. Grondslag van de bewaring
    • Eiser stelt dat het verwijderingsbesluit was uitgewerkt, omdat hij na zijn uitzetting bijna een half jaar in Polen heeft verbleven.
    • De rechtbank oordeelt echter dat de beschikking van 25 oktober 2023 nog steeds van kracht was en dat eiser niet heeft aangetoond dat hij zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd.
    • Eiser heeft geen bewijs geleverd dat hij in Polen een sociaal of economisch bestaan had opgebouwd.
    • De rechtbank verwijst naar het F.S.-arrest van het Hof van Justitie van de EU (ECLI:EU:C:2021:506), waaruit volgt dat een verblijf buiten Nederland niet per definitie betekent dat een vreemdeling zijn verblijf heeft beëindigd.
  2. Informatieplicht en uitreiking van de maatregel
    • Eiser betoogt dat de minister hem de maatregel van bewaring niet correct heeft uitgereikt en enkel een informatiefolder heeft verstrekt.
    • De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 24 juli 2024, waarin de minister zes maanden de tijd heeft gekregen om zijn werkwijze aan te passen.
    • Omdat deze termijn nog niet was verstreken, hoefde de minister nog geen correctie door te voeren.
    • Bovendien heeft eiser tijdens het gehoor met een tolk gesproken en wist hij waarom hij in bewaring was gesteld.
  3. Overschrijding van de termijn van ophouding
    • Eiser is op 11 januari 2025 om 08:00 uur overgenomen uit strafrechtelijke detentie.
    • Hij werd om 10:04 uur naar het Bureau Vreemdelingenpolitie overgebracht en om 14:45 uur in bewaring gesteld.
    • De wettelijke termijn van ophouding is zes uur (artikel 50 Vw).
    • De rechtbank oordeelt dat deze termijn niet is overschreden, omdat de ophouding pas begint bij aankomst op de plaats van verhoor.
  4. Inspanningsverplichting van de minister
    • Eiser stelt dat de minister al tijdens zijn strafrechtelijke detentie voorbereidingen had moeten treffen voor zijn uitzetting.
    • De rechtbank verwijst naar paragraaf A5/6.12 Vc 2000, waarin de inspanningsverplichting is vastgelegd.
    • Gezien de korte duur van de strafrechtelijke detentie (9 dagen) oordeelt de rechtbank dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld.
    • Dit blijkt ook uit het feit dat eiser op 17 januari 2025 is uitgezet, slechts zes dagen na de inbewaringstelling.

Conclusie en Gevolgen

  • Uitspraak: Beroep ongegrond.
  • Gevolgen: Geen schadevergoeding.
  • Proceskosten: Geen proceskostenvergoeding.

Noten

Ontdek meer van Jurisprudentie vreemdelingenbewaring

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder