Bewaring – Zicht op uitzetting naar Algerije – ECLI:NL:RBDHA:2025:1068
Rb. Den Haag (zp Arnhem) | 28-01-2025 | NL25.1476 | Bewaring – Zicht op uitzetting – Voortvarendheid – Artikel 8 EVRM | Beroep ongegrond
Feiten en Procesverloop
Eiser, van Algerijnse nationaliteit, heeft op 10 januari 2025 een maatregel van bewaring opgelegd gekregen op grond van artikel 59, eerste lid, Vw. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2025 behandeld, waarbij eiser via beeldverbinding is verschenen.
Eiser betoogt dat zicht op uitzetting naar Algerije ontbreekt, aangezien er al zes maanden geen laissez-passer (LP) is afgegeven door de Algerijnse autoriteiten en hij niet over identiteitsdocumenten beschikt. Hij betoogt ook dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan zijn uitzetting, vooral gezien de vertragingen in het proces en zijn verblijf in strafrechtelijke detentie.
Overwegingen Rechtbank
- Zicht op uitzetting naar Algerije
- De rechtbank oordeelt dat in het algemeen mag worden aangenomen dat er zicht op uitzetting naar Algerije bestaat.
- De enkele stelling van eiser dat de Algerijnse autoriteiten terughoudend zijn met het afgeven van LP’s is onvoldoende om te concluderen dat er geen zicht op uitzetting is.
- De minister heeft aangegeven dat de Algerijnse autoriteiten enkel vreemdelingen met geïdentificeerde documenten presenteren voor de LP-afgifte, maar altijd een LP-aanvraag onderzoeken.
- Eiser heeft geen concrete inspanningen geleverd om documenten te verkrijgen, wat van hem verwacht had mogen worden.
- Voortvarendheid van de minister
- Eiser stelt dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld, vooral gezien de periode van vier weken in strafrechtelijke detentie vóór de inbewaringstelling.
- De rechtbank overweegt dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld, met een rappel bij de Algerijnse autoriteiten op 5 december 2024 en een vertrekgesprek met eiser op 14 januari 2025.
- De rechtbank verwijst naar de Vreemdelingencirculaire 2000, die voorschrijft dat de minister zich in principe moet inspannen voor een aansluitende uitzetting na strafrechtelijke detentie, maar geen specifieke verplichting heeft om dit te realiseren direct na het einde van detentie.
- Lichter middel
- Eiser betoogt dat een lichter middel dan bewaring had kunnen worden toegepast, aangezien hij geen vaste verblijfplaats heeft, maar altijd aan de meldplicht heeft voldaan.
- De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende gemotiveerd heeft waarom een lichter middel niet geschikt is. Het onmogelijke terugkeer naar Algerije zonder identiteitsdocumenten en het risico op onttrekking aan toezicht maken bewaring noodzakelijk.
- Artikel 8 EVRM
- Eiser betoogt dat zijn uitzetting in strijd is met artikel 8 EVRM, gezien zijn familiale verplichtingen in België (vriendin, zoon en gehandicapte broer).
- De rechtbank stelt dat artikel 8 EVRM een beoordeling in een verblijfsrechtelijke procedure vereist en niet in deze procedure kan worden meegenomen. De minister heeft de situatie van eiser in de afweging betrokken bij de beslissing om geen lichter middel toe te passen.
Conclusie en Gevolgen
- Uitspraak: Beroep ongegrond.
- Gevolgen: De maatregel van bewaring blijft gehandhaafd.
- Schadevergoeding: Afgewezen.
- Proceskosten: Geen proceskostenvergoeding.