Alleen mondeling geïnformeerd: geen reden opheffing bewaring

Ontbreken informatiebrief geen reden opheffing –ECLI:NL:RVS:2025:383

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State | 03-02-2025 | 202303764/1/V3 | Hoger beroep gegrond

Feiten en Procesverloop

Bij besluit van 29 april 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan de vreemdeling een maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). De vreemdeling werd in bewaring gesteld in verband met het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn asielaanvraag.

De vreemdeling heeft beroep ingesteld tegen de maatregel. De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, heeft op 7 juni 2023 geoordeeld dat de staatssecretaris bij het opleggen van de maatregel niet heeft voldaan aan de informatieplicht uit artikel 5.3, eerste lid, derde volzin, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). De rechtbank oordeelde dat dit een ernstig gebrek was, waardoor de bewaring vanaf het begin onrechtmatig was.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel bevolen en een schadevergoeding van € 4.100,- toegekend aan de vreemdeling (ECLI:NL:RBDHA:2023:8404).

De staatssecretaris heeft hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak.

Overwegingen van de rechtbank

  1. Gronden van de bewaring
    1. De staatssecretaris had de bewaring gebaseerd op een risico van onttrekking aan toezicht en het niet meewerken aan de vaststelling van de identiteit en nationaliteit.
    1. De opgegeven zware gronden waren onder meer:
      1. 3a: illegale binnenkomst in Nederland.
      1. 3b: onttrekking aan toezicht.
      1. 3d: niet of onvoldoende meewerken aan vaststelling identiteit en nationaliteit.
      1. 3f: zich ontdoen van reis- of identiteitsdocumenten zonder noodzaak.
      1. 3g: gebruik van valse of vervalste documenten.
    1. De vreemdeling betwistte de gronden 3b, 3f, en 3i. De rechtbank stelde vast dat de gronden 3a en 3d voldoende waren om de maatregel te dragen.
  2. Schending van de informatieplicht (artikel 5.3 Vb 2000)
    1. De rechtbank oordeelde dat de vreemdeling niet schriftelijk en in een taal die hij verstond, was geïnformeerd over zijn recht op kosteloze rechtsbijstand en de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen de maatregel van bewaring.
    1. Volgens de rechtbank had deze informatie niet alleen mondeling, maar ook schriftelijk bij de uitreiking van de maatregel moeten worden verstrekt.
    1. De rechtbank achtte dit een ernstige schending, aangezien de vreemdeling pas na 28 dagen beroep had ingesteld, terwijl dit volgens de rechtbank aannemelijk eerder had kunnen gebeuren indien hij adequaat was geïnformeerd.
  3. Belangenafweging in het nadeel van de staatssecretaris
    1. De rechtbank maakte een belangenafweging en stelde vast dat het belang van de vreemdeling zwaarder woog dan dat van de staatssecretaris.
    1. Daarbij werd in aanmerking genomen dat de vreemdeling pas na vier weken beroep had ingesteld, omdat hij pas op dat moment via zijn advocaat in de asielprocedure vernam dat hij beroep kon instellen.
    1. De rechtbank concludeerde dat de bewaring vanaf het begin onrechtmatig was en kende schadevergoeding toe.

Overwegingen van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

  1. Informatieplicht (artikel 5.3 Vb 2000)
    1. De Afdeling oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat niet was voldaan aan de informatieplicht van artikel 5.3, eerste lid, derde volzin, Vb 2000.
    1. De Afdeling stelt vast dat de vreemdeling tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling mondeling, met inschakeling van een tolk, is geïnformeerd over zijn recht op kosteloze rechtsbijstand en de mogelijkheid om beroep in te stellen.
    1. De rechtbank had geoordeeld dat deze informatie ook schriftelijk bij de uitreiking van de maatregel had moeten worden verstrekt, maar de Afdeling wijst erop dat artikel 5.3 Vb 2000 niet vereist dat deze informatie per se schriftelijk wordt verstrekt bij de feitelijke oplegging van de maatregel.
    1. Nu de vreemdeling mondeling was geïnformeerd en bovendien bijstand had van een advocaat die hem zowel in de asiel- als de bewaringsprocedure bijstond, is volgens de Afdeling voldaan aan de eisen van artikel 5.3 Vb 2000.
  2. Belangenafweging in het voordeel van de staatssecretaris
    1. De Afdeling oordeelt dat de rechtbank ten onrechte de belangenafweging in het nadeel van de staatssecretaris heeft laten uitvallen.
    1. Omdat de vreemdeling in een volledig gemotiveerd schriftelijk besluit in bewaring was gesteld en op de hoogte was gesteld van zijn rechten tijdens het gehoor, was hij niet zodanig in zijn belangen geschaad dat dit de opheffing van de maatregel rechtvaardigde.
    1. De Afdeling acht het onwaarschijnlijk dat de vreemdeling daadwerkelijk door de vermeende schending van artikel 5.3 Vb 2000 in zijn procespositie was benadeeld.
  3. Conclusie
    1. De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond en vernietigt de uitspraak van de rechtbank.
    1. De Afdeling doet de zaak zelf af en verklaart het beroep ongegrond.
    1. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
    1. Er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.

Conclusie en Gevolgen

  • Uitspraak: Het hoger beroep is gegrond.
  • Gevolgen: De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep wordt alsnog ongegrond verklaard.
  • Proceskosten: Geen proceskostenvergoeding.
  • Schadevergoeding: De Afdeling wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Noten


Alleen mondeling geïnformeerd over rechtsbijstand onvoldoende: schriftelijke verplichting art. 5.3 Vb zelfstandige eis — uitspraak vernietigd door Afdeling

Rb. Den Haag zp Arnhem | 07-06-2023 | ECLI:NL:RBDHA:2023:8404 | NL23.15644 | Vreemdelingenrecht – Bewaring art. 59b lid 1 sub a en b Vw | Gegrond; EUR 4.100 schadevergoeding (vernietigd door ABRvS — zie ECLI:NL:RVS:2025:383)

Feiten/Procesverloop Eiser is op 29 april 2023 in bewaring gesteld op grond van artikel 59b lid 1 sub a en b Vw 2000. Voor aanvang van het gehoor was eiser mondeling gewezen op zijn recht op rechtsbijstand tijdens het gehoor en de verdere procedure. Eiser gaf aan geen advocaat nodig te hebben bij het gehoor, maar wel bij de verdere procedure. Een piketmelding werd om 10:13 uur verzonden; de maatregel werd opgelegd om 13:00 uur. Schriftelijke informatieverstrekking over de mogelijkheid van beroep en gratis rechtsbijstand ontbrak. De bewaring duurde 41 dagen voordat eiser — via zijn asieladvocaat — op de hoogte raakte van zijn beroepsmogelijkheid. De zitting vond plaats op 6 juni 2023; de staatssecretaris erkende op zitting dat uit het dossier niet bleek dat eiser schriftelijk op zijn rechten was gewezen.

Overwegingen De zware gronden 3a (onregelmatige inreis) en 3d (onvoldoende medewerking identiteitsvaststelling) zijn niet betwist en kunnen de maatregel dragen.

Bij de ambtshalve toetsing stelt de rechtbank vast dat artikel 5.3 Vb 2000 een zelfstandige schriftelijke informatieverplichting bevat: de vreemdeling moet bij of in de maatregel schriftelijk, in een voor hem begrijpelijke taal, worden geïnformeerd over zijn recht op gratis rechtsbijstand en de mogelijkheid om in beroep te gaan. Een voorafgaande mondelinge mededeling voldoet niet aan deze schriftelijke eis. De piketmelding aan de piketcentrale is evenmin toereikend: die melding gaat naar de advocatendienst, niet naar eiser zelf, en wordt bovendien gedaan vóórdat duidelijk is óf en op welke gronden de maatregel wordt opgelegd.

Bij de belangenafweging weegt de rechtbank mee dat eiser pas na 28 dagen via zijn asieladvocaat van de beroepsmogelijkheid vernam en daartegen vervolgens direct beroep instelde. Nu aannemelijk is dat eiser eerder beroep zou hebben ingesteld indien hij schriftelijk was geïnformeerd, en eiser voor het eerst met de bewaringsprocedure werd geconfronteerd, acht de rechtbank het gebrek zo ernstig dat de bewaring van aanvang af onrechtmatig is.

Afdeling vernietigt uitspraak De Afdeling bestuursrechtspraak heeft deze uitspraak op ECLI:NL:RVS:2025:383 gedeeltelijk vernietigd en de zaak zelf afgedaan. De Afdeling oordeelt dat mondeling informeren over rechtsbijstand in beginsel kan volstaan en dat de enkele afwezigheid van een schriftelijke mededeling niet zonder meer tot gegrondverklaring van het beroep leidt. Een bespreking van de Afdelingsuitspraak is te vinden via deze annotatie.

Conclusie Het beroep is gegrond verklaard; de maatregel werd opgeheven per 7 juni 2023. Schadevergoeding EUR 4.100 (41 dagen × EUR 100); proceskosten EUR 837. De uitspraak is nadien vernietigd door de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2025:383).

Noten

  1. ABRvS (gedeeltelijke vernietiging en zelf afgedaan), ECLI:NL:RVS:2025:383
  2. HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858

Ontdek meer van Jurisprudentie vreemdelingenbewaring

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder