Gesteld verblijf afkickkliniek onvoldoende om duurzaam vertrek aan te tonen

Pool toont duurzaam vertrek naar Polen onvoldoende aan –ECLI:NL:RBDHA:2025:3023

Rb. Den Haag (zp Middelburg) | 27-02-2025 | NL25.7962 | Bewaring | Beroep ongegrond

Feiten en Procesverloop

Bij besluit van 19 februari 2025 heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).

Eiser heeft tegen het besluit beroep ingesteld en tevens verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2025 ter zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en een tolk. De minister is eveneens vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Eiser heeft de Poolse nationaliteit en is geboren in 1983.

Overwegingen Rechtbank

  1. Grondslag bewaring en beëindiging verblijf
    1. Eiser betoogt dat hij rechtmatig verblijf in Nederland heeft. Hij stelt dat hij na de intrekking van zijn verblijfsrecht als Unieburger op 28 augustus 2024 is teruggekeerd naar Polen, daar drie maanden heeft verbleven, in een afkickkliniek heeft gezeten en incidenteel zwart heeft gewerkt. Hij stelt daarmee zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief te hebben beëindigd, en verwijst daarbij naar het arrest ECLI:EU:C:2021:506 en de uitspraak van de Afdeling van 23 februari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:562).
    1. De rechtbank overweegt dat, volgens het Hof van Justitie van de Europese Unie, een Unieburger na intrekking van zijn verblijfsrecht alleen opnieuw verblijfsrecht kan verkrijgen indien hij zijn verblijf in het gastland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Daarbij zijn zowel de duur van het verblijf buiten Nederland als de verbroken banden met Nederland relevant.
    1. De rechtbank stelt vast dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn verblijf daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Hoewel hij enige tijd in Polen heeft verbleven, blijkt uit zijn verklaringen dat hij in Polen een identiteitskaart heeft aangevraagd met als doel een bankrekening te openen om in Nederland werk en een woning te vinden. Dit duidt erop dat hij zijn banden met Nederland niet daadwerkelijk heeft verbroken.
    1. Daarnaast is er geen sprake van een materiële wijziging van omstandigheden die een hernieuwd verblijfsrecht in Nederland zou rechtvaardigen. Het enkele bezit van een Poolse identiteitskaart is daarvoor onvoldoende.
  2. Gronden van de bewaring
    1. De minister heeft de bewaring gebaseerd op een risico van onttrekking aan toezicht en het ontwijken of belemmeren van de uitzettingsprocedure. De volgende zware gronden zijn tegengeworpen:
      1. 3a: illegale binnenkomst.
      1. 3b: onttrekking aan toezicht.
      1. 3c: eerder opgelegde vertrekplicht niet nagekomen.
    1. De lichte gronden zijn:
      1. 4a: niet naleven van verplichtingen uit hoofdstuk 4 van het Vb.
      1. 4c: geen vaste woon- of verblijfplaats.
      1. 4d: geen voldoende middelen van bestaan.
    1. De rechtbank stelt vast dat eiser deze gronden niet heeft betwist. De rechtbank acht de gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd en oordeelt dat zij de bewaring kunnen dragen.
  3. Ambtshalve toetsing
    1. De rechtbank ziet geen aanleiding om ambtshalve te oordelen dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.

Conclusie en Gevolgen

  • Uitspraak: Het beroep is ongegrond.
  • Gevolgen: De bewaring blijft in stand.
  • Proceskosten: Geen proceskostenvergoeding.
  • Schadevergoeding: Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Noten


Ontdek meer van Jurisprudentie vreemdelingenbewaring

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder