Vrijspraak 197 Sr heeft geen gevolgen ongewenstverklaring – ECLI:NL:RBDHA:2025:2908
Rb. Den Haag (zp Arnhem) | 25-02-2025 | NL25.6578 | Bewaring | Beroep ongegrond
Feiten en Procesverloop
Bij besluit van 11 februari 2025 heeft de minister aan eiser een maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft beroep ingesteld, tevens aan te merken als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 18 februari 2025 via een beeldverbinding ter zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
Eiser stelt de Poolse nationaliteit te hebben en is op 3 juli 2020 ongewenst verklaard.
Overwegingen Rechtbank
- Toetsing aan artikel 8.22, zesde lid, Vb 2000
- Eiser stelt dat de minister had moeten beoordelen of hij nog steeds een actuele en werkelijke bedreiging van de openbare orde vormt, zoals vereist in artikel 8.22, zesde lid, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
- De rechtbank overweegt dat de ongewenstverklaring op 28 juli 2020 aan eiser is uitgereikt en dat hij sindsdien meerdere keren is uitgezet naar Polen maar steeds is teruggekeerd.
- De vrijspraak door de politierechter van artikel 197 Wetboek van Strafrecht (Sr) betekent niet dat de ongewenstverklaring automatisch vervalt.
- Zolang de ongewenstverklaring niet is opgeheven, blijft deze van kracht en mocht de minister deze aan eiser tegenwerpen.
- De Unietoets of eiser nog steeds een actuele bedreiging vormt, kan niet in deze procedure worden beoordeeld.
- Gronden van de bewaring
- De minister baseert de bewaring op een risico van onttrekking aan het toezicht en het ontwijken of belemmeren van de uitzettingsprocedure.
- De minister heeft de volgende zware gronden tegengeworpen:
- 3b: zich eerder onttrokken aan toezicht.
- 3c: niet vrijwillig binnen de vertrektermijn vertrokken.
- 3h: ongewenst vreemdeling of inreisverbod opgelegd.
- Eiser betwist alle gronden, maar de rechtbank stelt vast dat eiser de feitelijke juistheid van 3b en 3c niet betwist.
- Deze gronden zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.
- Lichter middel
- Eiser stelt dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel, omdat hij meewerkend is en vrijgesproken is in zijn strafzaak.
- De rechtbank overweegt dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen minder dwingende maatregel volstaat.
- Eiser is meerdere keren uitgezet, maar blijft terugkeren naar Nederland. Dit rechtvaardigt de keuze voor bewaring.
- Ambtshalve toetsing
- De rechtbank ziet geen aanleiding om ambtshalve te oordelen dat de bewaring op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en Gevolgen
- Uitspraak: Het beroep is ongegrond.
- Gevolgen: De bewaring blijft in stand.
- Proceskosten: Geen proceskostenvergoeding.
- Schadevergoeding: Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
Noten
- ECLI:NL:RVS:2022:2984 (ABRvS 18 oktober 2022)
- ECLI:NL:RVS:2020:829 (ABRvS 25 maart 2020)
- ECLI:NL:RVS:2023:2829 (ABRvS 26 juli 2023)