Bewaring – Onvoldoende voortvarend bij strafzaak – ECLI:NL:RBDHA:2025:5753
Rb. Den Haag (zp Utrecht) | 07-04-2025 | NL25.13612 | Bewaring – strafzaak – overleg OM – onvoldoende voortvarend | Beroep gegrond
Feiten en Procesverloop
Eiser, van Algerijnse nationaliteit en geboren in 1992, is op 21 maart 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw. Op 20 maart 2025 werd bekend dat eiser op 25 juli 2025 moet verschijnen in een lopende strafzaak en dat hiervoor nog geen toestemming van het OM was verkregen.
De rechtbank heeft het beroep op 7 april 2025 ter zitting behandeld.
Overwegingen Rechtbank
Voortvarendheid en overleg met OM
De rechtbank stelt vast dat de minister op 20 maart 2025 zowel bekend was met de geplande uitzettingsdatum als met de lopende strafzaak. Volgens paragraaf A3/6.3, onder c, Vc 2000 moet in een dergelijk geval tijdig worden afgestemd met het OM.
De minister heeft echter tot aan de zitting geen nieuwe toestemming gevraagd. De eerdere toestemming van 25 oktober 2024 volstaat niet, omdat op 20 maart 2025 nieuwe feiten bekend zijn geworden.
De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld en dat dit leidt tot onrechtmatigheid van de bewaring vanaf de aanvang.
Conclusie en Gevolgen
- Uitspraak: Beroep gegrond
- Gevolgen: Bewaring onrechtmatig vanaf 21 maart 2025, opheffing bevolen
- Schadevergoeding: € 1.800 (18 dagen detentie à € 100 per dag)
- Proceskosten: € 1.814 vergoeding aan de rechtsbijstandverlener