Bewaring – Onrechtmatigheid wegens ontbreken registertolk – ECLI:NL:RBDHA:2025:6800
Rb. Den Haag (zp Roermond) | 23-04-2025 | NL25.17253 | Nigeriaanse nationaliteit – geen registertolk bij zitting – gedeeltelijk onrechtmatige voortduring – beroep gegrond
Feiten en Procesverloop
Eiser, van Nigeriaanse nationaliteit, is op 11 april 2024 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, Vw. De rechtbank had op 24 mei 2024 de maatregel onrechtmatig verklaard wegens het ontbreken van een rechtsgeldige ondertekening en het ontbreken van een registertolk bij de zitting op 22 mei 2024. Eiser werd toen in vrijheid gesteld en kreeg schadevergoeding (ECLI:NL:RBDHA:2024:7938).
In hoger beroep vernietigde de Afdeling deze uitspraak op 10 april 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1537) en verwees de zaak terug. De Afdeling stelde dat:
- de maatregel wél rechtsgeldig was ondertekend (middels een elektronische handtekening);
- de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd waarom het onderzoek niet werd geschorst om alsnog met registertolk te horen.
De rechtbank heeft op 23 april 2025 het beroep opnieuw behandeld.
Overwegingen Rechtbank
- De rechtbank neemt het oordeel van de Afdeling over dat de maatregel rechtsgeldig is ondertekend.
- De rechtbank heeft nader gemotiveerd waarom zij destijds geen gebruik maakte van de bevoegdheid om het onderzoek ter zitting te schorsen:
- de zitting vond plaats op de uiterste dag van de termijn (art. 94 lid 4 Vw);
- er was geen mogelijkheid meer om eiser met registertolk te horen binnen de zittingsdag;
- de rechtbank achtte het belang van onmiddellijke invrijheidstelling bij onrechtmatigheid zwaarder dan het belang van horen via registertolk.
- De rechtbank erkent dat het ontbreken van een registertolk op 22 mei 2024 een schending van het aanwezigheidsrecht opleverde.
- Voor het overige was de bewaring rechtmatig:
- Verweerder heeft het onttrekkingsrisico voldoende gemotiveerd met zware en lichte gronden (artikel 5.1b lid 3 en 4 Vb).
- Zicht op uitzetting bestond, mede gezien rappel en vertrekgesprekken.
- Er is beoordeeld of een lichter middel volstond; dat was volgens verweerder niet mogelijk en de rechtbank acht die motivering toereikend.
- De rechtbank acht de informatieplicht geschonden omdat eiser enkel een Nederlandse versie van de maatregel kreeg, maar verbindt daaraan geen gevolgen: de inhoud is met een tolk besproken en uit verklaringen blijkt dat eiser de inhoud begreep.
Conclusie en Gevolgen
- Uitspraak: Beroep gegrond
- Schadevergoeding: €300 wegens onrechtmatige voortduring van 22 mei t/m 24 mei 2024
- Proceskostenvergoeding: €907 voor zitting op 23 april 2025
- Invrijheidstelling: Niet meer aan de orde (reeds geschied op 24 mei 2024)
Noten
• ECLI:NL:RBDHA:2024:7938
• ECLI:NL:RVS:2025:1537
• Vw 2000 – artikel 59 lid 1 onder a
• Awb – artikel 8:64
• Vb 2000 – artikel 5.1b lid 3 en 4