Aanwezigheidsrecht niet geschonden door overdracht

Bewaring – Geldige machtiging tot binnentreden – onjuiste grondslag staandehouding en ophouding – recht aanwezig te zijn op zitting – ECLI:NL:RBDHA:2025:8728

Rb. Den Haag (zp Rotterdam) | 01-04-2025 | NL25.12793 | Nationaliteit niet vermeld – beroep ongegrond – proceskostenvergoeding wegens gebrek in voortraject


Feiten en Procesverloop

Eiser is op 17 maart 2025 op grond van artikel 59a, eerste lid, Vw in bewaring gesteld. De maatregel is op 26 maart 2025 opgeheven wegens overdracht aan Duitsland. Eiser voert aan dat:

  • de woning onrechtmatig is binnengetreden;
  • hij op een onjuiste grondslag is staandegehouden en opgehouden;
  • zijn recht om bij de zitting aanwezig te zijn is geschonden.
    Hij verzoekt om schadevergoeding.

Overwegingen Rechtbank

1. Geldigheid machtiging tot binnentreden

  • In eerste instantie was de elektronische handtekening in het dossier niet verifieerbaar.
  • Na zitting heeft verweerder een digitaal bestand overgelegd waaruit blijkt dat de handtekening geldig is, op 15 maart 2025 om 15:42:02 is gezet door de politie en het document sindsdien niet is gewijzigd.
  • De rechtbank acht de machtiging geldig; deze beroepsgrond slaagt niet.

2. Onjuiste grondslag staandehouding en ophouding

  • Partijen zijn het eens dat eiser op grond van artikel 50a, eerste lid, Vw had moeten worden staandegehouden en opgehouden, in plaats van artikel 50, eerste en derde lid, Vw.
  • Dit vormt een gebrek, maar de rechtbank acht dit niet zodanig ernstig dat de bewaring onrechtmatig wordt.
  • Er bestond ook op de juiste grondslag een wettelijke basis voor de maatregelen; de ophouding duurde niet langer dan toegestaan en eiser is daardoor niet in zijn belangen geschaad.
  • Het onttrekkingsrisico uit de niet bestreden bewaringsgronden rechtvaardigde voortzetting van de bewaring.

3. Recht om aanwezig te zijn op zitting

  • De zitting viel samen met de geplande overdracht naar Duitsland om 9.30 uur.
  • Onderzocht is of een latere vlucht mogelijk was; dit bleek niet haalbaar vanwege beperkingen bij de Duitse autoriteiten en de vereiste medische escorte.
  • De rechtbank acht hiermee voldaan aan de inspanningsverplichting; geen schending van het aanwezigheidsrecht.

4. Ambtshalve toetsing

  • Geen aanwijzingen dat de maatregel op enig moment onrechtmatig was.

Conclusie en Gevolgen

  • Uitspraak: Beroep ongegrond
  • Schadevergoeding: Afgewezen
  • Proceskostenvergoeding: € 1.814 wegens gebrek in het voortraject

Noten

• Vw 2000 – artikel 59a lid 1
• Vw 2000 – artikel 50 en 50a
• ECLI:NL:RVS:2020:991
• ECLI:NL:RVS:2022:2296
• ECLI:EU:C:2022:858

Ontdek meer van Jurisprudentie vreemdelingenbewaring

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder