Verwijdering Polen foutief aangeduid als terugkeer. Beroep bewaring ongegrond.


Bewaring – Verwijderingsbesluit is geen terugkeerbesluit – Lichter middel afgewezen – ECLI:NL:RBDHA:2025:7991
Rb. Den Haag (zp Middelburg) | 08-05-2025 | NL25.19970 | Poolse nationaliteit – beroep ongegrond – geen schadevergoeding

Feiten en procesverloop
Eiseres heeft de Poolse nationaliteit. Aan haar is op 29 april 2025 de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw. Zij stelt dat zij niet op de hoogte was van het besluit waarin is vastgesteld dat zij geen rechtmatig verblijf had op grond van het Unierecht. Daarnaast voert zij aan dat zij Nederland vrijwillig had kunnen verlaten richting België en dat een lichter middel passend was geweest.

Overwegingen rechtbank
De rechtbank oordeelt dat uit het pro-forma bezwaarschrift en een eerdere beroepsprocedure blijkt dat eiseres wél bekend was met het besluit van 13 februari 2024, waarin haar rechtmatig verblijf werd ontzegd. De zware grond 3c (niet vertrekken ondanks verplichting) is daarmee terecht aan de maatregel ten grondslag gelegd.

Voor de beoordeling van het aangevoerde alternatief – vertrek naar België – acht de rechtbank van belang dat verweerder op zitting toelichtte dat het besluit van 13 februari 2024 een verwijderingsbesluit betrof, en géén terugkeerbesluit naar Polen. De verwijzing in de maatregel naar vrijwillig vertrek binnen de EU was dus ten onrechte opgenomen, maar tast de motivering van de maatregel niet aan. De uitzettingshandeling is gericht op het land van herkomst.

De rechtbank oordeelt verder dat geen sprake is van omstandigheden die detentie onevenredig bezwarend maken, en dat verweerder voortvarend heeft gehandeld.

Conclusie en gevolgen
Beroep ongegrond, geen schadevergoeding. Verwijzing naar vrijwillig EU-vertrek was foutief, maar niet motiveringsgebrek.


Ontdek meer van Jurisprudentie vreemdelingenbewaring

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder