Bewaring – Unieburger, toepasselijkheid Verblijfsrichtlijn en analoge toepassing Vb – ECLI:NL:RBDHA:2025:8011
Rb. Den Haag (zp Zwolle) | 01-05-2025 | NL25.17178 en NL25.17179 | Beroep ongegrond, schadevergoeding afgewezen
Feiten en Procesverloop
Eiser, van Roemeense nationaliteit, is op 13 april 2025 opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, Vw. Op dezelfde datum is aan hem de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw.
Tegen zowel de ophouding als de bewaring is beroep ingesteld, met een verzoek om schadevergoeding. De maatregel is op 18 april 2025 opgeheven wegens uitzetting. De zaak is op 24 april 2025 ter zitting behandeld; eiser verscheen niet, zijn gemachtigde had zich afgemeld.
Overwegingen Rechtbank
- Ophouding
Eiser stelde dat de staandehouding onrechtmatig was omdat het dossier geen ondertekend proces-verbaal bevatte. De rechtbank achtte het proces-verbaal van 12 april 2025, dat op ambtseed en elektronisch was ondertekend, voldoende. Eiser was op heterdaad aangehouden wegens openbaar dronkenschap, een strafrechtelijke grond. Het beroep tegen de ophouding werd daarom niet-ontvankelijk verklaard. - Grondslag bewaring
Eiser voerde aan dat artikel 59 Vw uitsluitend uitvoering geeft aan de Terugkeerrichtlijn (2008/115/EG), die enkel geldt voor derdelanders en dus niet voor Unieburgers. Omdat eiser een EU-burger is, zou de minister volgens hem onbevoegd zijn geweest de bewaring op deze grondslag te baseren. Hij verwees daarbij naar het argument dat afwijking van een richtlijn niet is toegestaan en dat een verwijderingsbesluit tegen een Unieburger alleen kan worden genomen als sprake is van een actuele en ernstige bedreiging van de openbare orde (artikel 28 Verblijfsrichtlijn).
De rechtbank volgde dit betoog niet. In het besluit van 31 oktober 2024, dat op 6 februari 2025 aan eiser was uitgereikt, is vastgesteld dat eiser niet langer voldoet aan de voorwaarden voor verblijf op grond van artikel 6 en 7 Verblijfsrichtlijn (2004/38/EG), waarbij ook is getoetst aan artikel 14 Verblijfsrichtlijn. Dit besluit kwalificeert als een “licht” verwijderingsbesluit in de zin van artikel 15 Verblijfsrichtlijn. Daarmee verloor eiser zijn rechtmatig verblijf (in de zin van artikel 8, aanhef en onder e, Vw) en kon hij op grond van artikel 59 Vw in bewaring worden gesteld.
De rechtbank benadrukte dat bewaring van een Unieburger in beginsel is toegestaan, mits sprake is van het verlies van het verblijfsrecht én zicht op uitzetting binnen redelijke termijn. Bewaring is een geschikt en noodzakelijk middel om uitvoering te geven aan een verwijderingsbesluit.
De rechtbank verwees naar ECLI:NL:RVS:2012:BW3351 en ECLI:NL:RVS:2022:562, waarin de Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde dat analoge toepassing van artikel 5.1a en 5.1b Vb mogelijk is. Deze bepalingen zijn weliswaar een omzetting van de Terugkeerrichtlijn, maar hun toepassing werkt in het voordeel van de Unieburger en is daarom niet in strijd met de Verblijfsrichtlijn.
- Motivering
De minister had de bewaring gebaseerd op zware gronden (onttrekking aan toezicht; niet-nakoming vertrekplicht) en lichte gronden (geen vaste woon- of verblijfplaats; geen middelen van bestaan). De rechtbank verwees naar het arrest Al Chodor, C-528/15, ECLI:EU:C:2017:213 en de jurisprudentie van de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2019:1528, ECLI:NL:RVS:2020:829), waaruit volgt dat de objectieve criteria voor het risico op onttrekking voldoende zijn vastgelegd. De motivering voldeed aan de eisen.
Conclusie en Gevolgen
- Beroep tegen de ophouding: niet-ontvankelijk.
- Beroep tegen de maatregel van bewaring: ongegrond.
- Verzoek om schadevergoeding: afgewezen.
- Geen proceskostenveroordeling.
Noten
- Richtlijn 2008/115/EG (Terugkeerrichtlijn)
- Richtlijn 2004/38/EG (Verblijfsrichtlijn)
- Arrest Mahdi, C-146/14, ECLI:EU:C:2014:1320
- Arrest Al Chodor, C-528/15, ECLI:EU:C:2017:213
- ECLI:NL:RVS:2012:BW3351
- ECLI:NL:RVS:2022:562
- ECLI:NL:RVS:2019:1528
- ECLI:NL:RVS:2020:829
- ECLI:EU:C:2022:858