Bewaring – Binnentreding en grondslag ophouding – ECLI:NL:RBDHA:2025:9012
Rb. Den Haag (zp Rotterdam) | 13-05-2025 | NL25.19338 | Dublin – beroep ongegrond – schadevergoeding afgewezen
Feiten en procesverloop
- Bij besluit van 23 april 2025 stelde verweerder eiser in bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, Vw 2000.
- Eiser stelde beroep in en verzocht om schadevergoeding.
- De bewaring werd op 30 april 2025 opgeheven.
- De rechtbank behandelde het beroep op 7 mei 2025.
Overwegingen rechtbank
- Rechtmatigheid binnentreding woning
- Eiser stelde dat de binnentreding van zijn woning onrechtmatig was, omdat volgens hem uit de processtukken onvoldoende bleek dat de machtiging tot binnentreden was getoond:
- Het proces-verbaal van binnentreden vermeldt in de standaardformulering dat de machtiging is getoond, maar dit zou volgens eiser niet volstaan.
- In de feitelijke beschrijving van de handelingen in dat proces-verbaal ontbreekt de vermelding dat de machtiging daadwerkelijk is getoond.
- Ook in het proces-verbaal van ophouding en onderzoek (M105-A) ontbreekt die vermelding.
- De rechtbank oordeelt dat de vermelding in het proces-verbaal van binnentreden rechtsgeldig is. Het betreft een ambtsedig stuk, waarvan de inhoud voor juist wordt gehouden. Het enkele feit dat het een standaardformulering betreft, doet daar niet aan af.
- Verder staat vast dat de verbalisant beschikte over een geldige machtiging, die zich in het dossier bevindt. Het ontbreken van een nadere vermelding in andere stukken betekent niet dat de machtiging niet is getoond.
- De rechtbank concludeert dat het binnentreden niet onrechtmatig was.
- Eiser stelde dat de binnentreding van zijn woning onrechtmatig was, omdat volgens hem uit de processtukken onvoldoende bleek dat de machtiging tot binnentreden was getoond:
- Grondslag staandehouding en ophouding
- Eiser voerde aan dat de staandehouding en ophouding onrechtmatig waren, omdat hij als Dublinclaimant met onbekende bestemming (MOB) moest worden aangemerkt. Volgens eiser was zijn rechtmatig verblijf daardoor geëindigd op grond van artikel 62c, vierde lid, Vw 2000. In dat geval zou ophouding niet mogelijk zijn.
- Verweerder stelde dat eiser zich op 2 april 2025 had onttrokken aan zijn overdracht aan de Oostenrijkse autoriteiten. Eiser betoogde dat dit hem MOB maakte.
- De rechtbank verwijst naar ABRvS 11 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1164: als een Dublinclaimant als MOB wordt geregistreerd, eindigt het rechtmatig verblijf ex artikel 62c, vierde lid, Vw.
- In dit geval was eiser echter níet geregistreerd als MOB. Zonder registratie eindigt het rechtmatig verblijf niet.
- Daardoor bleef eiser rechtmatig verblijf houden krachtens artikel 8, aanhef en onder m, Vw 2000.
- De staandehouding en ophouding waren daarom gebaseerd op de juiste grondslag: artikel 50a Vw 2000.
- Het betoog van eiser dat zijn verblijf was geëindigd, slaagt dus niet.
- Ambtshalve toetsing
- Geen aanwijzingen dat de maatregel anderszins onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
- Beroep ongegrond.
- Verzoek om schadevergoeding afgewezen.
- Geen proceskostenvergoeding.
Noten
- ABRvS 11 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1164
- ABRvS 29 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2498
- HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858