Pool onderbouwt verblijf 6 maanden elders onvoldoende


Bewaring – Geen bewijs voor zes maanden verblijf Polen – grond 3c terecht toegepast – ECLI:NL:RBDHA:2025:9028
Rb. Den Haag (zp Rotterdam) | 13-05-2025 | NL25.19457 | Poolse nationaliteit | beroep ongegrond


Feiten en Procesverloop

Eiser, van Poolse nationaliteit, is op 27 april 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, Vw. De maatregel is gebaseerd op o.a. zware gronden 3c en 3i uit artikel 5.1b Vb. Eiser stelt dat hij zijn terugkeerplicht is nagekomen door zes maanden in Polen te hebben verbleven.


Overwegingen Rechtbank

Geen bewijs voor zes maanden verblijf in Polen
De rechtbank acht niet aannemelijk dat eiser Nederland daadwerkelijk en duurzaam heeft verlaten. Eiser stelt dat hij vanwege een begrafenis naar Polen is teruggekeerd en daar zes maanden verbleef, maar levert hiervoor geen bewijs. De enkele verklaring hierover is onvoldoende. Verweerder hoefde daarover geen nader onderzoek te doen. De zware grond 3c is dus terecht aan de maatregel ten grondslag gelegd.

Overige gronden en verweren

  • Grond 3i: Eiser verklaarde aanvankelijk niet te willen terugkeren; latere nuancering doet daaraan niet af.
  • Lichter middel: onvoldoende persoonlijke omstandigheden.
  • Medische zorg: voldoende geborgd binnen detentie.
  • Voortvarendheid: voldoende gebleken.

Conclusie en Gevolgen

• Beroep ongegrond
• Geen schadevergoeding of proceskostenvergoeding


Noten

ECLI:NL:RVS:2020:829
Vw 2000 – artikel 59 lid 1 onder a
Vb – artikel 5.1b

Ontdek meer van Jurisprudentie vreemdelingenbewaring

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder