Bewaring – Artikel 59b Vw – gronden, lichter middel en voortvarendheid – ECLI:NL:RBDHA:2025:9166
Rb. Den Haag (zp Groningen) | 23-05-2025 | NL25.21248 | Marokkaanse nationaliteit – beroep ongegrond – schadevergoeding afgewezen
Feiten en procesverloop
- Bij besluit van 7 mei 2025 stelde de minister eiser in bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c, Vw 2000.
- Eiser stelde op 8 mei 2025 beroep in, tevens strekkend tot schadevergoeding.
- Zitting vond plaats op 16 mei 2025 via telehoren; eiser verscheen vanuit detentie, bijgestaan door gemachtigde en tolk.
- Op de zitting liet verweerder lichte grond 4e (verdachte/veroordeeld voor misdrijf) vallen.
Overwegingen rechtbank
- Voortraject – gebruik tolk en ophouding
- Eiser voerde aan dat zijn rechten tijdens de ophouding niet rechtsgeldig waren medegedeeld, omdat geen beëdigd tolk werd ingeschakeld en het proces-verbaal het eindtijdstip van de ophouding niet vermeldde.
- De rechtbank verwijst naar vaste rechtspraak (ABRvS 30 januari 2015; ABRvS 16 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:94): beëdigd tolk is alleen verplicht indien noodzakelijk. Uit het proces-verbaal blijkt dat eiser Duits goed begreep en aangaf de mededelingen te hebben verstaan. Zijn rechten zijn later met een beëdigd Arabisch tolk verduidelijkt. Geen schending vastgesteld.
- Over het tijdstip: hoewel dit niet in het proces-verbaal van ophouding is opgenomen, volgt uit samenhangende stukken (overname 14:30 uur, aankomst verhoorplaats 15:40 uur, gehoor 17:43 uur, oplegging bewaring 21:35 uur) dat de maximale duur van zes uur ex artikel 50, derde lid, Vw niet is overschreden.
- Grondslag bewaring (artikel 59b Vw)
- De rechtbank oordeelt dat de bewaring terecht is gebaseerd op de b-grond: risico op onttrekking aan toezicht en noodzaak gegevens te verkrijgen voor beoordeling van de asielaanvraag. Dit is deugdelijk gemotiveerd en voldoende om de bewaring te dragen.
- De c-grond is onterecht toegepast: eiser werd niet in bewaring gehouden uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn, waardoor niet aan de wettelijke voorwaarden van artikel 59b, eerste lid, onder c, is voldaan. Dit maakt de maatregel echter niet onrechtmatig, omdat de b-grond zelfstandig voldoende is.
- Onderliggende gronden
- Zware gronden: 3a (illegale binnenkomst), 3b (onttrekking aan toezicht), 3c (niet naleven vertrekplicht). Allemaal feitelijk juist bevonden; 3b niet betwist. 3a bevestigd door eisers eigen verklaring dat hij via Spanje zonder documenten Nederland binnenkwam. 3c bevestigd door terugkeerbesluit en inreisverbod van 6 augustus 2024, waaraan eiser geen gevolg gaf.
- Lichte gronden: 4b (herhaalde vergeefse asielaanvragen), 4c (geen vaste woon-/verblijfplaats), 4d (geen middelen van bestaan). Allemaal feitelijk juist bevonden.
- Deze gronden gezamenlijk rechtvaardigen het aanvaarde risico op onttrekking.
- Lichter middel
- De minister motiveerde terecht dat een minder dwingende maatregel niet volstaat. Eiser bracht geen medische of persoonlijke omstandigheden naar voren die aanleiding gaven tot een alternatief.
- Voortvarendheid
- Minister werkte voldoende voortvarend aan de asielprocedure. Op 15 mei 2025 vond een gehoor plaats; het verslag daarvan werd technisch vertraagd, maar later alsnog toegevoegd. Geen tekortkoming vastgesteld.
- Zicht op uitzetting
- Zoals eerder bevestigd door de Afdeling (ABRvS 6 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1552; ABRvS 22 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1946), is zicht op uitzetting geen voorwaarde voor bewaring ex artikel 59b Vw.
Conclusie en gevolgen
- Beroep ongegrond.
- Verzoek schadevergoeding afgewezen.
- Geen proceskostenvergoeding.
Noten
- ABRvS 30 januari 2015, r.o. 9.1; bevestigd bij ECLI:NL:RVS:2024:94
- ABRvS 7 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2585
- ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829
- ABRvS 6 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1552; bevestigd bij ECLI:NL:RVS:2023:1946