Geen lichter middel ondanks BRP-adres. Feitelijk onttrekkingsrisico. Te lange ophouding niet erg.


Bewaring – Ophouding en lichter middel – ECLI:NL:RBDHA:2025:9756

Rb. Den Haag (zp Rotterdam) | 28-05-2025 | NL25.21632 | nationaliteit niet vermeld – beroep ongegrond, geen schadevergoeding

Feiten en Procesverloop
Eiser is op 7 mei 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, Vw 2000. Hij stelde beroep in en verzocht om schadevergoeding.

Overwegingen Rechtbank

  • Ophouding: De ophouding duurde 6 uur en 8 minuten, dus 8 minuten te lang. Dat maakt de ophouding onrechtmatig, maar de rechtbank acht de gevolgen gering. De bewaring blijft in stand en er volgt geen proceskostenvergoeding.
  • Lichter middel en woonadres:
    Eiser voerde aan dat in de maatregel ten onrechte was opgenomen dat hij slechts een postadres had. Volgens hem staat hij in de BRP ingeschreven met een woonadres en is hij daardoor bovengemiddeld traceerbaar. De rechtbank volgt eiser hierin: hij heeft een vast woonadres en is goed traceerbaar. Toch is dat onvoldoende om een lichter middel toe te passen. Uit WhatsApp-gesprekken blijkt dat eiser wel contact had met de regievoerder maar onvoldoende actie ondernam om zijn terugkeer te realiseren. Hij beloofde herhaaldelijk zich bij de IOM te melden maar liet dit telkens na. Ook kreeg hij ondersteuning van de regievoerder. De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht geen lichter middel toepaste.
  • Overige gronden: De zware gronden 3c (niet nakomen vertrekplicht) en 3h (ongewenstverklaring/inreisverbod) en lichte grond 4d (geen middelen) dragen de maatregel. Voortvarendheid was aanwezig met een vertrekgesprek op dag zes. Ambtshalve zijn geen gebreken vastgesteld.

Conclusie en Gevolgen
Beroep ongegrond. Verzoek om schadevergoeding afgewezen. Geen proceskostenvergoeding.

Noten


Ontdek meer van Jurisprudentie vreemdelingenbewaring

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder