Opheffing pas 2 maanden na voorlopige voorziening RvS. Voldoende voortvarend.


Bewaring – Voorlopige voorziening Afdeling, vertraging gerechtelijke procedure – ECLI:NL:RBDHA:2025:9760

Rb. Den Haag | 22-05-2025 | NL25.20514 | Beroep ongegrond, schadevergoeding afgewezen

Feiten en Procesverloop
Eiser is op 11 maart 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw. Hij stelde vervolgberoep in tegen het voortduren van de maatregel en verzocht om schadevergoeding.
Op 14 maart 2025 had de Afdeling bestuursrechtspraak een voorlopige voorziening toegewezen, waardoor eiser de uitkomst van het hoger beroep in Nederland mocht afwachten.
De rechtbank had in een eerdere uitspraak van 4 april 2025 (zaak NL25.13189) geoordeeld dat de maatregel tot dat moment rechtmatig was.
Verweerder hief de maatregel op 10 mei 2025 op.

Overwegingen Rechtbank

  • Eiser stelde dat de bewaring vanaf 14 maart 2025 onrechtmatig was, omdat vanaf dat moment uitzetting niet meer mogelijk was.
  • De rechtbank oordeelde dat de voorlopige voorziening niet voortkwam uit een administratieve handeling van verweerder, maar uit een gerechtelijke procedure. Daarom bestond geen grond om de bewaring met terugwerkende kracht onrechtmatig te achten.
  • Verweerder had bovendien navraag gedaan bij de Afdeling over de inhoudelijke behandeling van het hoger beroep, maar kreeg geen duidelijkheid. Daarna is besloten tot opheffing van de maatregel per 10 mei 2025.
  • Uit het dossier bleek niet dat de gemachtigde van eiser zelf contact had gezocht met de Afdeling over de planning van de behandeling.
  • Er waren geen andere omstandigheden die de bewaring onrechtmatig maakten.

Conclusie en Gevolgen

  • Beroep ongegrond
  • Schadevergoeding afgewezen
  • Geen proceskostenveroordeling

Noten


Ontdek meer van Jurisprudentie vreemdelingenbewaring

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder