Politie mag zelf kiezen of identiteit voldoende vaststaat


Bewaring – Grondslag ophouding en voortvarendheid uitzetting – ECLI:NL:RBDHA:2025:9560

Rb. Den Haag (zp Utrecht) | 22-05-2025 | NL25.21774 | Turkse nationaliteit – beroep ongegrond – geen schadevergoeding

Feiten en procesverloop

  • Eiser, van Turkse nationaliteit, is geboren in 1991.
  • Op 28 april 2025 werd hij op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, Vw 2000 in bewaring gesteld.
  • Hij bevond zich eerder in strafrechtelijke detentie.
  • De zitting vond plaats op 19 mei 2025.

Overwegingen rechtbank

  1. Grondslag ophouding
    • Eiser stelde dat hij onterecht was opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, Vw 2000, omdat zijn identiteit al vaststond via strafrechtelijke gegevens en Eurodac-hits (Zwitserland en Denemarken).
    • Volgens eiser was artikel 50, derde lid of 50a passender geweest, zoals vermeld in het uitgereikte formulier M122.
    De rechtbank verwerpt dit betoog:
    • Ook bij eerdere identificatie mag de minister volgens vaste jurisprudentie zelf kiezen of hij de identiteit voldoende vastgesteld acht.
    • De rechtbank verwijst naar Rb. Roermond 20-02-2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:4680, bevestigd door ABRvS 17-03-2025, ECLI:NL:RVS:2025:1084.
    • Omdat eiser bij aanhouding geen documenten had en de minister zich niet hoefde te verlaten op strafrechtelijke of Eurodac-data, was ophouding op grond van artikel 50 lid 2 terecht.
  2. Voortvarendheid uitzetting
    • Eiser betoogde dat de minister nalatig was: hij gaf pas op 12 mei 2025 eisers identiteitsnummer door, terwijl eiser dat al op 1 mei had opgegeven.
    • De rechtbank erkent dat de minister sneller had kunnen handelen, maar vindt dit niet voldoende voor het oordeel dat er onvoldoende voortvarend is gewerkt.
    • Vanaf 1 mei zijn meerdere acties ondernomen: rappel op 1 mei, vertrekgesprekken op 8 en 15 mei.
    • In samenhang bezien acht de rechtbank dit handelen voldoende voortvarend.

Overige onderdelen (beknopt)

  • Bewaringsgronden: niet betwist; meerdere zware gronden (3a, 3b, 3c, 3i) en lichte gronden (4a, 4c, 4d); door rechtbank feitelijk en juridisch voldoende bevonden.
  • Ambtshalve toetsing: geen onrechtmatigheid vastgesteld.
  • Conclusie: beroep ongegrond, schadevergoeding afgewezen, geen proceskostenvergoeding.

Noten


Ontdek meer van Jurisprudentie vreemdelingen bewaring

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder