Bewaring – Vervolgberoep, voortvarendheid lp-aanvraag Vietnam – ECLI:NL:RBDHA:2025:9763
Rb. Den Haag (zp Rotterdam) | 28-05-2025 | NL25.21623 | Vervolgberoep – beroep ongegrond – schadevergoeding afgewezen
Feiten en procesverloop
- Eiser (nationaliteit vermoedelijk Vietnamees, niet expliciet vermeld) is op 4 april 2025 in bewaring gesteld op grond van art. 59 lid 1 onder a Vw 2000.
- De rechtbank heeft de maatregel eerder getoetst en in de uitspraak van 17 april 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:9074) tot 14 april 2025 rechtmatig bevonden.
- Thans beoordeelt de rechtbank uitsluitend de periode vanaf 14 april 2025.
Overwegingen rechtbank
- Voortvarend handelen:
- Eiser betoogde dat verweerder niet voortvarend handelde, omdat pas op 11 april 2025 een verzoek voor een lp-aanvraag naar de DIA was gestuurd en daarna geen nieuwe aanvraag bij de Vietnamese autoriteiten is gedaan. Volgens eiser had de aanvraag vertaald moeten worden en hadden eerdere gegevens benut kunnen worden.
- Rechtbank: deze punten vallen buiten de te beoordelen periode (vóór 14 april 2025). Voor de latere periode geldt dat de DIA op 17 april 2025 besloot geen nieuwe lp-aanvraag te doen, omdat in 2023 al was aangegeven dat zonder nadere informatie de nationaliteit niet kon worden bevestigd. In plaats daarvan koos verweerder ervoor extra vertrekgesprekken te voeren om aanvullende informatie te verkrijgen.
- Op 22 april en 8 mei 2025 zijn vertrekgesprekken gevoerd. De rechtbank kwalificeert dit als betekenisvolle uitzettingshandelingen. Dat geen lp-aanvraag is ingediend, betekent niet dat onvoldoende voortvarend is gehandeld.
- Daarbij wordt meegewogen dat eiser zelf onvoldoende inspanningen verrichtte om zijn identiteit en nationaliteit aannemelijk te maken. Zijn enkele verklaring dat hij geen contacten in Vietnam heeft en in een weeshuis is opgegroeid, en zijn vergeefse internetzoekactie naar gegevens over zichzelf, zijn ontoereikend.
- Conclusie: verweerder handelde voldoende voortvarend.
- Ambtshalve toetsing: De rechtbank ziet in de gegevens geen aanwijzingen dat de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel niet zijn vervuld.
Conclusie en gevolgen
- Beroep ongegrond.
- Verzoek om schadevergoeding afgewezen.
- Geen proceskostenvergoeding.
Noten
- Rb. Den Haag (zp Utrecht) 17 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:9074
- HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858