Dublinbewaring – Eurodac-hit Duitsland – Significante vluchtkans – Voorgeschiedenis in Finland – Geen bijzondere omstandigheden – ECLI:NL:RVS:2025:2349
ABRvS | 23-05-2025 | NL24.3195 | Hoger beroep gegrond; uitspraak rechtbank vernietigd; beroep ongegrond; schadevergoeding afgewezen; geen proceskostenvergoeding
Feiten en Procesverloop
Bij besluit van 24 januari 2024 is betrokkene, een vreemdeling met een asielverleden in diverse EU-lidstaten, in bewaring gesteld op grond van artikel 59a Vw 2000 in het kader van de Dublinverordening. De rechtbank Den Haag (zp Roermond) verklaarde het beroep gegrond, oordeelde dat de maatregel ondeugdelijk was gemotiveerd, gelastte de opheffing van de maatregel en kende schadevergoeding toe. De minister stelde hoger beroep in.
Overwegingen Afdeling
De Afdeling volgt de rechtbank niet in haar oordeel dat onvoldoende is gemotiveerd dat een overdracht aan Duitsland mogelijk was. Uit het maatregelbesluit blijkt dat op 25 januari 2020 in Eurodac een registratie is aangetroffen van een eerdere asielaanvraag van betrokkene in Duitsland. Die registratie is volgens de Afdeling een voldoende concreet aanknopingspunt om het verantwoordelijke Dublinland aan te wijzen en om de maatregel op te baseren. De rechtbank had dit, mede gelet op de jurisprudentie van de Afdeling (zie ECLI:NL:RVS:2022:1040), niet als motiveringsgebrek mogen aanmerken. De grief van de minister op dit punt slaagt.
Ook de stelling van betrokkene dat een lichter middel had kunnen volstaan, wordt door de Afdeling verworpen. De minister heeft voldoende individueel gemotiveerd dat sprake was van een significant risico op onttrekking aan toezicht, zoals bedoeld in artikel 5.1b, tweede lid, Vb 2000. Daarbij is van belang dat betrokkene:
- eerder asielaanvragen in meerdere lidstaten heeft ingediend, waaronder Finland en Duitsland,
- bij een voorgenomen overdracht aan Finland in 2020 met onbekende bestemming is vertrokken, en
- zich onvindbaar heeft gehouden in Nederland tot zijn aanhouding in 2024.
Volgens vaste rechtspraak mag bij deze omstandigheden worden aangenomen dat de vreemdeling geen vaste verblijfplaats heeft, zich herhaaldelijk heeft onttrokken aan overheidscontact, en daardoor actief meewerkt aan het frustreren van de overdrachtsprocedure. Dat klemt temeer nu betrokkene tijdens het gehoor geen enkele onderbouwing gaf voor het verblijf in Nederland, noch bijzondere omstandigheden aanvoerde die het opleggen van een lichter middel (zoals vrijheidsbeperkende voorwaarden) zouden kunnen rechtvaardigen.
De Afdeling benadrukt dat artikel 28 van de Dublinverordening in samenhang met het arrest Al Chodor (HvJEU, C-528/15) vereist dat het risico op onttrekking gebaseerd moet zijn op objectieve en individuele criteria. Aan die voorwaarde is hier voldaan. De door de minister gebruikte gronden sluiten nauw aan bij de in artikel 5.1b Vb genoemde indicatoren, zoals onjuiste identiteitsopgave, eerdere onttrekking en ontbreken van vaste woon- of verblijfplaats.
De Afdeling acht ook het tempo van handelen voldoende voortvarend: reeds op de derde dag na de inbewaringstelling is een vertrekgesprek gevoerd met betrokkene.
Conclusie en Gevolgen
Uitspraak: Hoger beroep gegrond; uitspraak rechtbank vernietigd; beroep ongegrond verklaard; schadevergoeding afgewezen; geen proceskostenvergoeding.
Noten
- Vw 2000 – art. 59a
- Vb 2000 – art. 5.1b, tweede lid
- Dublinverordening – art. 28
- HvJEU – Al Chodor (C-528/15)
- ECLI:NL:RVS:2022:1040
- ECLI:NL:RVS:2025:2349