Tijdelijk procedureel verblijfsrecht in Spanje geeft geen bescherming en familieleven onvoldoende onderbouwd: terugkeer en bewaring rechtmatig
Rb. Den Haag | zp Utrecht [⚠️ ondertekening vermeldt Rb. Midden-Nederland] | 06-01-2026 | ECLI:NL:RBDHA:2026:175 | NL25.61851 / NL25.61860 | Vreemdelingenrecht (art. 59 Vw 2000; art. 62a Vw 2000) | Beide beroepen ongegrond
Feiten en procesverloop
Eiser (Peruaanse nationaliteit, geboren 1991) heeft op 15 december 2025 een terugkeerbesluit met inreisverbod van twee jaar (beroep 1) en een maatregel van bewaring op grond van art. 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 (beroep 2) opgelegd gekregen. Hij was op 17 januari 2025 Spanje ingereisd, had zijn 90-daagse vrije termijn overschreden en op 8 augustus 2025 een eerste terugkeerbesluit ontvangen. Na terugkeer naar Spanje sloot hij op 12 mei 2025 een samenlevingsovereenkomst met een Venezolaanse partner en vroeg op 12 augustus 2025 verblijf bij haar aan. Eiser stelde dat hij procedureel rechtmatig verblijf in Spanje had zodat het inreisverbod niet mocht worden opgelegd, en dat zijn familieleven in Spanje bescherming verdiende. De bewaringsgronden (3b, 3c, 4a, 4c, 4d) waren onbetwist.
Overwegingen rechtbank
Inreisverbod (beroep 1): Procedureel rechtmatig verblijf — slechts tijdelijk uitstel van de vertrekplicht in afwachting van een aanvraagbeslissing — valt niet onder de uitzonderingsbepaling van art. 62a, eerste lid, onder b, Vw 2000 (implementatie art. 6 lid 2 Richtlijn 2008/115/EG). Die bepaling vereist een verblijfsrecht van zekere en bestendige duur. Een lopende aanvraag is naar zijn aard onzeker en van kortere duur.
Familieleven en bewaring (beroep 2): Het gestelde familieleven in Spanje is onvoldoende onderbouwd: de samenlevingsovereenkomst is gesloten na het eerste terugkeerbesluit en na het verlies van rechtmatig verblijf. De partner heeft zelf geen verblijfsvergunning in Spanje. Geen beschermenswaardig familieleven dat zich verzet tegen uitzetting naar Peru. Verwezen naar ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar).
Conclusie en gevolgen
Oordeel: beide beroepen ongegrond; terugkeerbesluit, inreisverbod en bewaring blijven in stand; schadevergoeding afgewezen.
Proceskosten: geen veroordeling.
Rechtsmiddel: voor het bewaring-beroep (bestreden besluit 2): hoger beroep bij de Afdeling binnen één week; voor het terugkeerbesluit/inreisverbod (bestreden besluit 1): hoger beroep binnen vier weken na bekendmaking.
Noten
– ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) — HvJEU 4 september 2025: ambtshalve toetsing rechtmatigheid bewaring, waaronder non-refoulement en familieleven ex art. 5 Terugkeerrichtlijn.
– Artikel 62a Vw 2000 — uitzondering inreisverbod vereist verblijfsrecht van zekere en bestendige duur; procedureel verblijfsrecht volstaat niet.
– Artikel 6 lid 2 Richtlijn 2008/115/EG — uitzondering terugkeerbesluit bij geldige verblijfsvergunning andere lidstaat.
– Artikel 59 Vw 2000 — bewaring wegens ontbreken rechtmatig verblijf.