Overdracht verboden door Afdeling: toch opnieuw in bewaring gesteld, in de hoop dat Afdeling op tijd uitspraak zou doen voor UOD
Rb. Den Haag | zp Roermond | 02-02-2026 | ECLI:NL:RBDHA:2026:1778 | NL26.5321 | Vreemdelingenrecht (art. 59a Vw 2000) | Beroep gegrond
Feiten en procesverloop
Eiser (Nigeriaanse nationaliteit, geboren 2001) heeft op 8 juli 2024 een asielaanvraag ingediend. Op 25 november 2024 volgde een overdrachtsbesluit (Duitsland verantwoordelijk). Op 12 maart 2025 stelde verweerder eiser voor de eerste maal in bewaring; de Afdeling hief deze op 26 mei 2025 op wegens de duur en de onzekere beslisdatum van het aanhangige hoger beroep. Bij wijze van voorlopige voorziening bepaalde de Afdeling dat overdracht aan Duitsland niet is toegestaan totdat op het hoger beroep is beslist. Op 30 januari 2026 stelde verweerder eiser wederom in bewaring (art. 59a lid 1 Vw). Verweerder voerde vier zware gronden en drie lichte gronden aan (art. 5.1b, tweede, derde en vierde lid Vb 2000).
Overwegingen rechtbank
- Verweerder stelde eiser in bewaring terwijl hij wist dat de overdracht op grond van de voorlopige voorziening niet was toegestaan; de maatregel kon niet strekken tot effectuering van het overdrachtsbesluit.
- Verweerder was niet bevoegd eiser alvast in bewaring te stellen voor het geval de Afdeling vóór 6 februari 2026 uitspraak zou doen.
- Verweerder had de Afdeling voorafgaand moeten vragen wanneer zij uitspraak zou doen; pas op de dag van de bewaring werd de Afdeling verzocht om een spoedige uitspraak.
- De Afdeling had de eerdere bewaring al opgeheven wegens duur en onzekere beslisdatum (ECLI:NL:RVS:2025:2419 — bewaring opgeheven wegens duur en onzekere beslisdatum; belang vreemdeling weegt zwaarder).
- Zware gronden (art. 5.1b lid 3 Vb): vier gronden; lichte gronden (art. 5.1b lid 4 Vb): drie gronden — inhoudelijke toetsing bleef achterwege nu maatregel reeds op formele grond onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
- Oordeel: Beroep gegrond; bewaring onmiddellijk opgeheven.
- Schadevergoeding (art. 106 Vw): EUR 480,– (4 dagen detentiecentrum × EUR 120,–/dag).
- Proceskosten: EUR 934,– ten laste van verweerder.
- Rechtsmiddel: Hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.
Noten
- ECLI:NL:RVS:2025:2419 — ABRvS 26 mei 2025: bewaring opgeheven wegens duur maatregel en onzekere beslisdatum hoger beroep; belang vreemdeling weegt zwaarder.
- ECLI:NL:RVS:2025:1664 — ABRvS 16 april 2025 (voorlopige voorziening): overdracht aan Duitsland niet toegestaan totdat op het hoger beroep is beslist.
Geef een reactie