Bewaring – Staandehouding OV-controle – ECLI:NL:RBDHA:2025:11421
Rb. Den Haag (zp Rotterdam) | 02-06-2025 | NL25.22735 | Bewaring (art. 59b Vw) | Beroep ongegrond
Feiten en Procesverloop
Eiser, van Nigeriaanse nationaliteit, is op 11 mei 2025 staande gehouden tijdens een algemene controle van vervoersbewijzen in de tram. In dat kader is naar zijn identiteit gevraagd. Vervolgens is aan eiser bij besluit van 11 mei 2025 de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, Vw 2000, met het oog op vaststelling van identiteit/nationaliteit en het verkrijgen van gegevens noodzakelijk voor de beoordeling van een asielaanvraag.
Eiser heeft op 19 mei 2025 beroep ingesteld tegen de maatregel. Dit beroep geldt tevens als verzoek om schadevergoeding. De zaak is behandeld ter zitting van 28 mei 2025.
Eiser stelt:
- dat sprake is van een onrechtmatige staandehouding, omdat hij een geldig vervoersbewijs had;
- dat verweerder het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden;
- dat diverse aan de bewaring ten grondslag gelegde zware en lichte gronden ten onrechte zijn tegengeworpen;
- dat onvoldoende is gemotiveerd waarom niet met een lichter middel kon worden volstaan.
Overwegingen Rechtbank
Staandehouding
De rechtbank stelt vast dat de staandehouding heeft plaatsgevonden in het kader van een niet-vreemdelingrechtelijke bevoegdheid, namelijk een algemene OV-controle. Onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak (o.a.
ECLI:NL:RVS:2024:758) overweegt de rechtbank dat de vreemdelingenrechter niet kan oordelen over de rechtmatigheid van bevoegdheden die niet bij of krachtens de Vw zijn toegekend. Deze beroepsgrond faalt.
Zorgvuldigheidsbeginsel
Onder verwijzing naar
ECLI:NL:RVS:2016:424 overweegt de rechtbank dat verweerder voorafgaand aan de bewaring moet onderzoeken of met een lichter middel kan worden volstaan. Uit het proces-verbaal van gehoor van 11 mei 2025 blijkt dat eiser expliciet de gelegenheid heeft gekregen persoonlijke omstandigheden aan te voeren en dat verweerder concrete vragen heeft gesteld over onder meer medische situatie, familiebanden, woonadres en inkomen. De rechtbank oordeelt dat verweerder hiermee aan zijn onderzoeksplicht heeft voldaan.
Gronden van de maatregel
Aan de maatregel zijn onder meer de volgende zware gronden ontleend (art. 5.1b Vb):
- 3a: onregelmatige binnenkomst;
- 3b: onttrekking aan toezicht;
- 3c: niet-naleving van een vertrekplicht.
De rechtbank oordeelt dat deze zware gronden de maatregel zelfstandig kunnen dragen. Daarbij wordt verwezen naar de overzichtsuitspraak van de Afdeling van
ECLI:NL:RVS:2020:829.
Uit het dossier blijkt dat een eerdere asielaanvraag van eiser bij besluit van 12 oktober 2021 is afgewezen, met een terugkeerverplichting naar Nigeria. Het daartegen ingestelde beroep is bij uitspraak van 23 november 2021 ongegrond verklaard. Eiser heeft Nederland nadien niet verlaten en zich evenmin gemeld bij een bevoegde instantie. De rechtbank acht de gronden 3a, 3b en 3c feitelijk juist en toereikend. De overige betwiste gronden behoeven daarom geen bespreking.
Lichter middel en evenredigheid
De rechtbank oordeelt dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom geen lichter middel doeltreffend kon worden toegepast. Daarbij is van belang dat eiser langdurig geen stappen heeft gezet richting vertrek en heeft verklaard niet te willen terugkeren naar Nigeria. Dat bewaring eiser zwaar valt, maakt de maatregel niet onevenredig.
Ambtshalve toetsing
Onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van 8 november 2022
ECLI:EU:C:2022:858 overweegt de rechtbank dat zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve heeft getoetst en geen onrechtmatigheden heeft vastgesteld.
Conclusie en Gevolgen
- Uitspraak: het beroep is ongegrond.
- Gevolgen: de maatregel van bewaring blijft in stand.
- Schadevergoeding: afgewezen.
- Proceskosten: geen proceskostenveroordeling.
Noten
- ECLI:NL:RVS:2024:758
- ECLI:NL:RVS:2016:424
- ECLI:NL:RVS:2020:829
- ECLI:EU:C:2022:858
- Artikel 59b Vreemdelingenwet 2000
- Artikel 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000