Rechtbank beslist te laat over bewaring: opheffing

Vervolgberoep bewaring – Libië – ECLI:NL:RBDHA:2025:10870

Rechtbank Den Haag | zp Middelburg | 20-06-2025 | NL25.23913 | Bewaring (art. 59 Vw) | Beroep gegrond


Feiten en Procesverloop

  • Achtergrond: Eiser stelt de Libische nationaliteit te hebben. Hij is op 13 februari 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000.
  • Voorgeschiedenis: De maatregel is eerder getoetst; bij uitspraak van 15 april 2025 oordeelde de rechtbank dat de bewaring tot 11 april 2025 rechtmatig was.
  • Context: Dit vervolgberoep (ontvangen op 27 mei 2025) beoordeelt de rechtmatigheid van de voortduring van de bewaring sinds 11 april 2025.
  • Standpunten eiser: Eiser betoogt dat verweerder tekortschiet in de informatievoorziening over onder meer de taal tijdens vertrekgesprekken, de presentatie aan autoriteiten en een ontbrekende taalanalyse. Voorts stelt hij dat het zicht op uitzetting ontbreekt en dat er sinds 1 mei 2025 onvoldoende voortvarend wordt gehandeld.

Overwegingen Rechtbank

  1. Termijnoverschrijding rechtbank (Ambtshalve): Op grond van artikel 96 Vw had de rechtbank het vooronderzoek uiterlijk op 3 juni 2025 moeten sluiten en uiterlijk op 10 juni 2025 uitspraak moeten doen. De rechtbank sloot het onderzoek echter pas op 20 juni 2025 en deed op diezelfde dag uitspraak.
  • Recht op spoedige rechterlijke beoordeling: De periode van 25 dagen tussen ontvangst van het beroepschrift en de uitspraak is, mede omdat er geen zitting plaatsvond en de zaak relatief overzichtelijk is, in strijd met het vereiste van een spoedige beoordeling door een rechter als bedoeld in artikel 5, vierde lid, EVRM.
    • Rechtsregel: Een vertraging in de rechterlijke beoordeling die volledig aan de rechtbank te wijten is en niet strookt met wettelijke termijnen, kan leiden tot onrechtmatigheid van de voortdurende bewaring.
  • Gevolg: De maatregel van bewaring is vanaf 11 juni 2025 onrechtmatig. Voor de periode vóór 11 juni 2025 ziet de rechtbank ambtshalve geen grond voor onrechtmatigheid.

Conclusie en Gevolgen

  • Uitspraak: Het beroep is gegrond.
  • Gevolgen: De rechtbank beveelt de onmiddellijke opheffing van de maatregel van bewaring.
  • Schadevergoeding: Toegekend voor 10 dagen onrechtmatige tenuitvoerlegging (11 t/m 20 juni 2025) ad € 100 per dag, totaal € 1.000.
  • Proceskosten: Verweerder (de Staat) wordt veroordeeld tot betaling van € 907 aan proceskosten, aangezien de termijnoverschrijding uitsluitend aan de rechtbank toe te rekenen is.
  • Rechtsmiddel: Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Noten

Ontdek meer van Jurisprudentie vreemdelingenbewaring

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder