RvS bevestigt oordeel Arnhem zinsnede informatiefolder

HB Raad van State / ECLI:NL:RVS:2025:2911 / 30 juni 2025 / 202501351/1/V3 /Beroep gegrond

1. Het geconstateerde gebrek in eerste aanleg

In de procedure bij de rechtbank (ECLI:NL:RBDHA:2025:3497) werd vastgesteld dat de aan de vreemdeling verstrekte Turkse informatiefolder (op grond van de informatieplicht ex art. 5.3 Vb 2000) een juridische onjuistheid bevatte.

  • De onjuistheid: De folder vermeldde over het rechtsmiddel: “Dit dient u met uw advocaat te bespreken”.
  • Oordeel rechtbank: Deze formulering suggereert ten onrechte dat het instellen van beroep een verplicht overleg met een advocaat vereist. De rechtbank merkte dit aan als een gebrek in de besluitvorming.
  • Toepassing art. 6:22 Awb: De rechtbank passeerde dit gebrek echter omdat de vreemdeling niet in zijn belangen was geschaad; hij was feitelijk op de hoogte van de redenen voor bewaring en de mogelijkheid tot het instellen van een rechtsmiddel.

2. De correctie door de Afdeling

De Afdeling bevestigt dat de rechtbank het gebrek terecht heeft gepasseerd met artikel 6:22 Awb, maar oordeelt dat de rechtbank vervolgens een procedurele fout heeft gemaakt bij de kostenafhandeling.

OnderwerpOordeel Rechtbank (Eerste Aanleg)Oordeel Afdeling (Hoger Beroep)
BeroepOngegrond.Bevestiging ongegrondverklaring (bewaring blijft rechtmatig).
ProceskostenGeen veroordeling.Vernietiging: Minister moet proceskosten vergoeden wegens art. 6:22 Awb.
Ratio DecidendiBelang vreemdeling niet geschaad door onjuiste foldertekst.Bij toepassing van art. 6:22 Awb moet het bestuursorgaan in de proceskosten worden veroordeeld.

3. Conclusie en Rechtsgevolg

Het hoger beroep is uitsluitend gegrond verklaard op de proceskosten. De kern van de uitspraak is dat de minister de gemaakte kosten voor rechtsbijstand in beide instanties moet vergoeden (€ 2.721,00), omdat er een gebrek in het bestreden besluit aanwezig was dat door de rechter is gepasseerd. De maatregel van bewaring zelf bleef in stand.

Onderliggende uitspraak


Rb. Den Haag | zp Arnhem | 03-03-2025 | ECLI:NL:RBDHA:2025:3497 | NL25.7230 | Vreemdelingenrecht — art. 59a lid 1 Vw 2000 (Dublin Kroatië) | Ongegrond

(Aangevochten in hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2025:2911)

Feiten en procesverloop

Op 13 februari 2025 stelde de minister een vreemdeling in bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, Vw 2000 wegens een concreet aanknopingspunt voor een Dublin-overdracht naar Kroatië en een significant risico op onttrekking aan het toezicht. De zitting vond plaats op 25 februari 2025 via een beeldverbinding. Eiser voerde drie beroepsgronden aan: (1) de informatiefolder voldoet niet aan art. 5.3 Vb 2000 — de zinsnede “dient u met uw advocaat te bespreken” impliceert ten onrechte een verplichting tot overleg vóór het instellen van beroep; (2) de gronden kunnen de maatregel niet dragen; (3) de minister handelt onvoldoende voortvarend nu de overdracht naar Kroatië pas op 3 maart 2025 plaatsvindt.

Overwegingen rechtbank

  • Informatiefolder (art. 5.3 Vb 2000): de formulering “dient u met uw advocaat te bespreken” is inhoudelijk onjuist — het woord “dient” suggereert een verplichting tot voorafgaand overleg die rechtens niet bestaat. Het betoog dat lichte grond 4a onvoldoende duidelijk is, slaagt niet: de folder maakt afdoende kenbaar dat het gaat om verplichtingen bij binnenkomst en tijdens verblijf. Het gebrek in de rechtsmiddelenclausule wordt gepasseerd op grond van art. 6:22 Awb — eiser was feitelijk op de hoogte van de gronden van bewaring, het beschikbare rechtsmiddel en de mogelijkheid van gratis rechtsbijstand, en stelde bovendien reeds de dag na inbewaringstelling beroep in. Dat de Afdeling een hersteltermijn van zes maanden stelde (ECLI:NL:RVS:2024:2979), belet de belangenafweging niet: de folder is inmiddels opgesteld; dat zij op één punt nog niet correct is, opent niet een absolute herstelverplichting zonder afweging. Ratio: art. 6:22 Awb-passering is mogelijk ook bij informatieplicht-gebreken, mits de vreemdeling feitelijk niet in zijn belangen is geschaad.
  • Bewaringsgronden: eiser betwistte uitsluitend zware grond 3a (onregelmatige binnenkomst); de onbetwiste gronden 3b (onttrekking toezicht), 3m (overdrachtsbesluit ontvangen) en lichte gronden 4a, 4c, 4d zijn feitelijk juist en voldoende toegelicht, en dragen de maatregel zelfstandig. ECLI:NL:RVS:2020:829 — ratio: betwisting van één grond is niet relevant als de overige onbetwiste gronden de maatregel reeds zelfstandig kunnen dragen.
  • Voortvarend handelen: de minister heeft afdoende toegelicht dat aankondigingstermijnen, het organiseren van opvang door de Kroatische autoriteiten en beperkte medewerking van luchtvaartmaatschappijen de tijdsduur verklaren. Voldoende voortvarend.
  • Ambtshalve toetsing: geen grond om de maatregel onrechtmatig te achten. ECLI:NL:RVS:2023:2829.

Conclusie en gevolgen

  • Uitspraak: beroep ongegrond
  • Gevolgen: bewaring voortgezet; overdracht naar Kroatië op 3 maart 2025
  • Schadevergoeding: afgewezen
  • PKV: geen proceskostenveroordeling
  • Rechtsmiddel: hoger beroep ingesteld bij ABRvS → ECLI:NL:RVS:2025:2911 (gedeeltelijke vernietiging)

Noten


Ontdek meer van Jurisprudentie vreemdelingenbewaring

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder