Asiel – Schadevergoeding vreemdelingendetentie – ECLI:NL:RBDHA:2025:10539
Rb. Den Haag (zp Den Haag) | 05-06-2025 | NL25.17683 en NL25.17684 | Asiel – schadevergoeding | Beroep niet-ontvankelijk
Feiten en Procesverloop
Eiser, een Colombiaanse asielzoeker (geboren in 2002), heeft op 31 maart 2025 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
De Minister van Asiel en Migratie heeft met het bestreden besluit van 14 april 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
Bij brief van 16 mei 2025 heeft verweerder het bestreden besluit ingetrokken en een proceskostenvergoeding aangeboden. Eiser heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening gehandhaafd en verzocht om schadevergoeding voor de periode die hij in detentie heeft doorgebracht vanaf twee dagen na het aanmeldgehoor.
Eiser stelt dat door de intrekking van het bestreden besluit vast komt te staan dat zijn aanvraag niet in de grensprocedure mocht worden afgedaan. De bewaringsrechter heeft bij uitspraak van 1 mei 2025 het beroep tegen de bewaringsmaatregel ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding over de periode tot 1 mei 2025 afgewezen.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 20 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. P.M. Langereis (gemachtigde van eiser) en mr. W.A. Kleingeld (gemachtigde van verweerder).
Standpunt eiser: Eiser verwijst ter onderbouwing naar de uitspraak van deze rechtbank van 14 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:6490, stellende dat voor hem geen andere weg openstaat voor zijn verzoek om schadevergoeding.
Standpunt verweerder: Verweerder stelt dat alleen de bewaringsrechter kan oordelen over schadevergoeding vanwege grensdetentie, verwijzend naar ECLI:NL:RVS:2025:1647.
Overwegingen Rechtbank
De rechtbank sluit zich niet aan bij de door eiser aangehaalde uitspraak van 14 april 2025, omdat een meer recente uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 20 mei 2025 naar het oordeel van de rechtbank het meest relevant is.
Uit de uitspraak ECLI:NL:RVS:2025:2224 van 20 mei 2025 volgt dat wanneer een vreemdeling stelt schade te hebben geleden vanwege vreemdelingendetentie, alleen het detentiebesluit kan worden aangemerkt als oorzaak van die schade.
Hoewel een oorzakelijk verband bestaat tussen de afwijzing van een asielaanvraag als kennelijk ongegrond en de vrijheidsontneming, leidt dit niet tot de conclusie dat dat besluit de schade heeft veroorzaakt. Gevolg hiervan is dat alleen de bewaringsrechter kan oordelen over eisers verzoek om schadevergoeding.
Conclusie en Gevolgen
Uitspraak: Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard.
Gevolgen: Eiser kan de onrechtmatigheid van de grensdetentie aan de orde stellen in een vervolgprocedure bij de bewaringsrechter of een verzoek tot herziening indienen van de eerdere uitspraak van de bewaringsrechter van 1 mei 2025.
Proceskosten: € 2.267,50 (3 punten à € 907,00 per punt).
Noten
Relevante jurisprudentie:
- ECLI:NL:RVS:2025:2224 – Afdeling bestuursrechtspraak RvS, 20 mei 2025 (richtinggevend)
- ECLI:NL:RVS:2025:1647 – Afdeling bestuursrechtspraak RvS, 14 april 2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:6490 – Rechtbank Den Haag, 14 april 2025
Relevante wetgeving: Besluit proceskosten bestuursrecht