Bewaring – Voortvarendheid uitzetting – ECLI:NL:RBDHA:2025:14786
Rb. Den Haag (zp Den Haag) | 05-06-2025 | NL25.21673 | Bewaring – voortvarendheid | Beroep ongegrond
Feiten en Procesverloop
De Minister van Asiel en Migratie heeft bij besluit van 30 oktober 2024 de asielaanvraag van eiser afgewezen en terugkeer naar Libië, Tunesië of Algerije opgelegd. Op 25 april 2025 werd een bewaringsmaatregel opgelegd.
Sinds december 2024 liepen trajecten voor laissez-passer-documenten bij Algerijnse en Tunesische autoriteiten, met vervolgstappen op 29 april, 1 mei en 21 mei 2025.
Ter zitting op 5 juni 2025 heeft de rechtbank het onderzoek aangehouden om eisers gemachtigde (M. Dahiya) in de gelegenheid te stellen een nader, schriftelijk standpunt in te nemen. Op 28 mei 2025 is dit ontvangen. Verweerder (mr. F.A. Groeneveld) heeft hier op 2 juni 2025 op gereageerd. De rechtbank heeft het onderzoek op 2 juni 2025 gesloten.
Standpunt eiser: Eiser betoogde dat de bewaring onrechtmatig was opgelegd omdat er in het asielbesluit geen refoulement-risico was meegewogen, ook na die tijd niet, en dat geen voortvarendheid in de uitzetting plaatsvond.
Standpunt verweerder: Verweerder verdedigde de rechtmatigheid van de bewaring en stelde dat voortvarendheid werd betracht.
Overwegingen Rechtbank
De rechtbank oordeelde dat het terugkeerbesluit geldig was en dat de bewaring rechtmatig was opgelegd.
Het betoog van eiser over het beginsel van non-refoulement leidt niet tot een ander oordeel. Het non-refoulementbeginsel is namelijk een belang dat is opgenomen in artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn en zoals uit de uitspraak van de Afdeling van 12 december 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:4578) volgt, ziet die bepaling niet op de specifieke vereisten om een besluit aan te kunnen merken als een terugkeerbesluit. Het is dus niet aan de bewaringsrechter om te beoordelen of het terugkeerbesluit aan het non-refoulementbeginsel voldoet.
Eiser had zware gronden tegen zich: onrechtmatige binnenkomst, niet-naleving van eerdere vertrekplicht, en het verstrekken van onjuiste gegevens. Geen lichter middel kon doeltreffend zijn.
De rechtbank stelde vast dat verweerder sinds december 2024 voortvarend heeft gehandeld door trajecten voor laissez-passer-documenten bij meerdere autoriteiten te starten en vervolgstappen te zetten. Er was geen sprake van onvoldoende voortvarendheid.
Conclusie en Gevolgen
Uitspraak: Beroep ongegrond verklaard.
Schadevergoeding: Verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Proceskosten: Geen proceskostenveroordeling.
Noten
Relevante wetgeving:
- Artikel 59 Vreemdelingenwet 2000 (bewaring)
- Artikel 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000 (zware gronden)
Jurisprudentie: Vaste rechtspraak over voortvarendheid bij vreemdelingendetentie en uitzettingsprocedures