Bewaring – Onrechtmatige voortduring grondslag – ECLI:NL:RBDHA:2025:12097
Rb. Den Haag (zp Den Haag) | 02-06-2025 | NL25.23613 | Bewaring – onrechtmatige voortduring | Beroep gegrond
Feiten en Procesverloop
De Minister van Asiel en Migratie heeft bij besluit van 13 mei 2025 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser, een Marokkaanse vreemdeling, op grond van artikel 59b Vreemdelingenwet 2000.
Op 20 mei 2025 trok eiser zijn asielaanvraag in. De minister hief de bewaring op 23 mei 2025 op en legde dezelfde dag een nieuwe maatregel op grond van artikel 59 op.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. D.M. Abrahams (gemachtigde van eiser) en mr. H. Loth (gemachtigde van verweerder).
Standpunt eiser: Eiser betoogde dat de maatregel van bewaring onrechtmatig voortduurde. Op 19 mei kondigde de vreemdeling de intrekking aan in het vertrekgesprek. De bewaring is pas op 23 mei omgezet, na het weekeinde.
Standpunt verweerder: Verweerder verdedigde de rechtmatigheid van de bewaringsmaatregel.
Overwegingen Rechtbank
De rechtbank stelde vast dat eiser de gronden van de maatregel niet heeft betwist en dat deze gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd waren.
Omdat de bewaring was opgeheven, beperkte de beoordeling zich tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moest worden toegekend. De rechtbank oordeelde dat de maatregel van bewaring van 13 mei 2025 vanaf 23 mei 2025 onrechtmatig voortduurde.
Volgens vaste rechtspraak heeft de minister twee dagen om de grondslag van de bewaring te wijzigen na intrekking van een asielaanvraag. De minister had dit op 22 mei 2025 moeten doen, maar deed dit pas op 23 mei 2025, zodat 1 dag onrechtmatige voortduring ontstond.
“De minister heeft ter zitting nog toegelicht welke handelingen hij na de intrekking van de asielaanvraag van eiser op 20 mei 2025 in de daarop volgende dagen heeft verricht. Daarbij heeft de minister er onder meer op gewezen dat niet alle regievoerders in het detentiecentrum bevoegd zijn om een maatregel van bewaring op te leggen en als gevolg daarvan de omzetting van de maatregel van bewaring van eiser pas op 23 mei 2025 kon worden ingeroosterd. Gelet hierop volgt de rechtbank niet het betoog van eiser dat de maatregel reeds op 20 mei 2025 had moeten worden omgezet. De beroepsgrond slaagt niettemin.”
Conclusie en Gevolgen
Uitspraak: Beroep gegrond verklaard.
Schadevergoeding: € 100,- voor 1 dag onrechtmatige vrijheidsontneming.
Proceskosten: € 1.814,- (2 punten à € 907,- per punt) aan de rechtsbijstandverlener van eiser.
Noten
Relevante wetgeving:
- Artikel 59b Vreemdelingenwet 2000 (bewaring tijdens asielprocedure)
- Artikel 59 Vreemdelingenwet 2000 (bewaring na intrekking asielaanvraag)
- Artikel 106 Vreemdelingenwet 2000 (schadevergoeding)
Jurisprudentie: Vaste rechtspraak over twee-dagentermijn voor wijziging grondslag bewaring