Bewaring – Rechtmatigheid staandehouding – ECLI:NL:RBDHA:2025:16424
Rb. Den Haag | Zittingsplaats Rotterdam | 29-07-2025 | NL25.31758 | Bewaring | Beroep ongegrond
Feiten en Procesverloop
De minister legde op 11 juli 2025 een maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 op. Eiser betoogde dat sprake was van een verkapte vreemdelingrechtelijke staandehouding. Eiser stelde zich aan toezicht te hebben onttrokken en niet te hebben voldaan aan het vertrekbesluit van 14 maart 2024. Het geplande vertrek op 22 juli 2025 kon niet doorgaan doordat eiser weigerde in het vliegtuig te stappen. Eiser vertrok uiteindelijk op 25 juli 2025.
Overwegingen Rechtbank
De rechtbank stelde vast dat de staandehouding op 11 juli 2025 rechtmatig plaatsvond onder artikel 2:48, tweede lid, van de APV Rotterdam 2012 wegens bezit van geopende alcoholische drank, waarna pas contact met AVIM werd opgenomen. De rechtbank maakt uit het dossier op dat ten tijde van de aanhouding eiser in het bezit was van een fouilleringsformulier afkomstig van de arrestantenafdeling, en dat aan de hand van dit document de identiteit van eiser kon worden vastgesteld. Verweerder was bekend met gegevens over eisers identiteit en mocht hem ophouden op grond van het tweede of derde lid van artikel 50 van de Vreemdelingenwet. De rechtbank verwees naar ECLI:NL:RVS:2024:1226. Ten aanzien van zware grond 3c oordeelde de rechtbank dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2020:829) volgt dat verweerder kan volstaan met een toelichting dat deze grond zich feitelijk voordoet.
Conclusie en Gevolgen
- Uitspraak: Het beroep is ongegrond.
- Gevolgen: De maatregel van bewaring was rechtmatig.
- Proceskosten: Geen vergoeding.
Noten
- ECLI:NL:RBDHA:2025:16424
- ECLI:NL:RVS:2020:829
- ECLI:NL:RVS:2024:1226
- Artikel 59 Vreemdelingenwet 2000
- Artikel 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000