Marokko – Artikel 8 EVRM aanvraag – Inreisverbod 20 jaar – ECLI:NL:RBDHA:2025:15203
Rb. Den Haag, zittingsplaats Middelburg | 15-08-2025 | NL25.36757 | Eerste beroep bewaring: ongegrond
Feiten en Procesverloop
De Minister van Asiel en Migratie heeft op 7 augustus 2025 aan eiser, een Marokkaans staatsburger geboren in 1987, de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, Vw. Op 6 augustus 2025 had eiser een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 EVRM ingediend voor verblijf bij zijn Nederlandse kinderen.
Eiser voerde aan dat de staandehouding onrechtmatig was wegens ontbrekende bronvermelding en onvoldoende concrete aanwijzingen. Ook betoogde eiser dat de aanvraag van 6 augustus 2025 een zelfstandige EU-rechtelijke Chavez-aanvraag opleverde (artikel 8, aanhef en onder e, Vw), waardoor procedureel rechtmatig verblijf bestond en bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, Vw niet mogelijk was. Voorts betwistte eiser diverse gronden, lichter middel en het zicht op uitzetting vanwege twijfel over de geldigheid van de laissez-passer.
Overwegingen Rechtbank
De rechtbank oordeelde dat de staandehouding rechtmatig was: uit het dossier bleek een afdoende redelijk vermoeden van illegaal verblijf op basis van informatie over eisers verblijfplaats, bevestiging door een buurvrouw en aanwezigheid van een aan zijn broer geregistreerde auto. Van binnentreding in de woning was geen sprake; eiser verliet uit eigen beweging de woning.
De aanvraag van 6 augustus 2025 kwalificeert niet als een zelfstandige EU-rechtelijke Chavez-aanvraag maar als een artikel 8 EVRM-aanvraag. Het daaruit voortvloeiende procedureel rechtmatig verblijf vloeit voort uit artikel 8, aanhef en onder f, Vw — niet onder e — zodat bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, Vw mogelijk bleef. De werking van het terugkeerbesluit en inreisverbod is niet tijdelijk opgeheven.
De zware gronden 3c (niet-naleving terugkeerplicht sinds 7 mei 2021) en 3i (verklaring geen gevolg te geven aan terugkeerplicht) zijn feitelijk juist en voldoende om de maatregel te dragen. Een lichter middel volstond niet: eiser verscheen niet voor de geplande vlucht van 10 juli 2025. Verweerder handelde voldoende voortvarend; er bestaat een geldige laissez-passer. Consulaire bijstand is correct verleend conform artikel 5.5, tweede lid, Vb.
Conclusie en Gevolgen
- Uitspraak: Het beroep is ongegrond.
- Schadevergoeding: Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
- Proceskosten: Geen proceskostenveroordeling.
Noten
- ECLI:NL:RBDHA:2025:15203
- Artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, Vreemdelingenwet 2000
- Artikel 8 EVRM / artikel 20 VWEU
- Artikel 66a, zesde lid, Vreemdelingenwet 2000
- Artikel 5.1b, derde en vierde lid, Vreemdelingenbesluit 2000
- Artikel 5.5, tweede lid, Vreemdelingenbesluit 2000
- ECLI:NL:RVS:2021:2530 (Chavez-aanvraag)
- ECLI:NL:RVS:2018:3998 (inreisverbod en rechtmatig verblijf)
- ECLI:NL:RVS:2020:829 (zware gronden feitelijk juist)