Gambia – Dublin – Staandehouding in orde – ECLI:NL:RBDHA:2025:16022
Rb. Den Haag, zittingsplaats Groningen | 28-08-2025 | NL25.38078 | Eerste beroep bewaring: ongegrond
Feiten en Procesverloop
De Minister van Asiel en Migratie heeft op 11 augustus 2025 aan eiser, een Gambiaanse vreemdeling, de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, Vw. Eiser is op 20 augustus 2021 in Duitsland geregistreerd als asielzoeker (Eurodac). Op 28 april 2025 ontving eiser een Dublinoverdrachtsverzoek naar Duitsland; Duitsland had het claim reeds op 1 april 2025 geaccepteerd. De rechtbank behandelde het beroep op 22 augustus 2025 via telehoren.
Aan de maatregel lagen de zware gronden 3a (onrechtmatige inreis zonder paspoort), 3b (onttrekking aan toezicht) en 3k (geen medewerking aan Dublinoverdracht) ten grondslag, alsmede de lichte gronden 4a, 4c en 4d.
Overwegingen Rechtbank
Eiser betwistte uitsluitend de zware grond 3b. De rechtbank oordeelde dat grond 3a feitelijk juist is — eiser reisde bij inreis in Nederland in zonder paspoort met geldig visum en inreisstempel — en dat grond 3k feitelijk juist is, nu het overdrachtsbesluit in rechte vaststaat en eiser niet meewerkt aan overdracht. De zware gronden 3a en 3k, in samenhang met de niet-betwiste lichte gronden, zijn voldoende om de maatregel te dragen en een significant risico op onderduiken aan te nemen. De beoordeling van grond 3b bleef daarom onbesproken.
De staandehouding door een BOA van de DT&V was rechtmatig: de BOA controleerde eerst of hij de juiste persoon voor zich had en maakte zich vervolgens bekend. Eiser werd door deze werkwijze niet in zijn belangen geschaad.
Een lichter middel volstond niet: eiser zou niet uit eigen beweging gevolg geven aan zijn vertrekplicht. De medische omstandigheden zijn voldoende betrokken bij de oplegging. Verweerder handelt voldoende voortvarend en zicht op overdracht naar Duitsland ontbreekt niet, ondanks twee eerder mislukte overdrachten die door het toedoen van eiser zijn geannuleerd.
Conclusie en Gevolgen
- Uitspraak: Het beroep is ongegrond.
- Schadevergoeding: Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
- Proceskosten: Geen proceskostenveroordeling.
- Rechtsmiddel: Hoger beroep staat open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week.
Noten
- ECLI:NL:RBDHA:2025:16022
- Artikel 59a, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000
- Artikel 5.1b, derde en vierde lid, Vreemdelingenbesluit 2000
- Dublinverordening (EU) nr. 604/2013
- ECLI:NL:RVS:2020:829 (zware gronden feitelijk juist)