Dublin – Voortvarend handelen – Overdracht Duitsland – ECLI:NL:RBDHA:2025:15985
Rb. Den Haag, zittingsplaats Rotterdam | 27-08-2025 | NL25.36845 | Vervolgberoep bewaring: gegrond
Feiten en Procesverloop
De Minister van Asiel en Migratie heeft op 4 juli 2025 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, Vw. Op 14 juli 2025 ontving verweerder een claimakkoord van Duitsland. Op 22 juli 2025 werd eisers asielaanvraag niet in behandeling genomen. Eiser diende geen voorlopige voorziening in, zodat vanaf 24 juli 2025 geen belemmeringen bestonden voor overdracht. De minister voerde op 6 augustus 2025 pas een eerste overdrachtshandeling (vertrekgesprek) uit. Op 8 augustus 2025 werd eiser via een landoverdracht aan Duitsland overgedragen. De maatregel werd op 8 augustus 2025 opgeheven.
Eiser stelde vervolgberoep in en betoogde dat verweerder onvoldoende voortvarend had gehandeld. De rechtbank had de bewaring eerder getoetst bij uitspraak van 22 juli 2025 (NL25.30000); de periode vanaf 16 juli 2025 tot opheffing op 8 augustus 2025 was thans aan de orde.
Overwegingen Rechtbank
Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling, waaronder ECLI:NL:RVS:2024:777 van 23 februari 2024, volgt dat geen vast aantal dagen geldt voor een eerste overdrachtshandeling; steeds zijn de relevante feiten en omstandigheden van het geval bepalend.
Verweerders standpunt dat hij voldoende voortvarend handelde omdat er binnen veertien dagen een vertrekgesprek plaatsvond, werd verworpen. Verweerder had op 14 juli 2025 al een claimakkoord van Duitsland ontvangen en behoefde slechts de asielbeschikking en het verstrijken van de 24-uurstermijn voor een voorlopige voorziening af te wachten. Een landoverdracht kan bovendien in een korte periode worden geëffectueerd en hoeft slechts drie dagen van te voren te worden aangekondigd. Gelet op het uitgangspunt dat bewaring zo kort mogelijk moet duren, had verweerder uiterlijk op de vierde dag na de asielbeschikking — derhalve uiterlijk op 26 juli 2025 — een eerste overdrachtshandeling moeten verrichten. De bewaring is met ingang van 27 juli 2025 onrechtmatig.
Conclusie en Gevolgen
- Uitspraak: Het beroep is gegrond. De bewaring was vanaf 27 juli 2025 onrechtmatig.
- Schadevergoeding: €1.300,- (13 dagen × €100 detentiecentrum).
- Proceskosten: €1.814,-.
- Rechtsmiddel: Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Noten
- ECLI:NL:RBDHA:2025:15985
- Artikel 59a, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000
- Artikel 106 Vreemdelingenwet 2000
- ECLI:NL:RVS:2024:777 (voortvarend handelen bij overdracht)