Bewaring – Dublin – Oekraïens gezin – Belangen minderjarigen – Lichter middel — ECLI:NL:RBDHA:2025:14564
Rb. Den Haag, zittingsplaats Groningen | 06-08-2025 | zitting 01-08-2025] | NL25.33186, NL25.33187, NL25.33188, NL25.33191, NL25.33192 | Bewaring art. 59a, eerste lid, Vw – Dublin – gezin met minderjarigen – lichter middel | Beroepen gegrond
Feiten en Procesverloop
Eisers zijn een moeder en vier minderjarige kinderen, allen van Oekraïense nationaliteit. Op 18 juli 2025 heeft de minister aan alle vijf de maatregel van bewaring opgelegd op grond van art. 59a, eerste lid, Vw (Dublin), wegens een concreet aanknopingspunt voor overdracht en een significant onttrekkingsrisico.
Gronden: zwaar: niet op voorgeschreven wijze binnengetreden (3a), ontdoen van reisdocumenten (3f), overdrachtsbesluit ontvangen en geen medewerking (3k); licht: niet voldaan aan verplichtingen hoofdstuk 4 Vb (4a), geen vaste woon- of verblijfplaats (4c), onvoldoende middelen (4d) — art. 5.1b Vb.
Op 23 juli 2025 heeft de ABRvS een voorziening getroffen op grond waarvan eisers hun hoger beroep in de asielprocedure in Nederland mogen afwachten; daarmee is de Dublingrondslag voor de bewaring komen te vervallen. Op 24 juli 2025 heeft de minister de bewaring opgeheven. Eisers zijn niet op de zitting van 1 augustus 2025 verschenen.
Overwegingen Rechtbank
- De bewaargronden zijn formeel juist en ondersteunen het onttrekkingsrisico, maar dit leidt niet zonder meer tot de conclusie dat geen lichter middel op zijn plaats was.
- Lichter middel onvoldoende gemotiveerd: Uit par. A5/1 Vc volgt dat bewaring beperkt moet blijven tot het strikt noodzakelijke en dat de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit voortdurend in acht moeten worden genomen.
- Belangen minderjarigen: De maatregelen voor de vier kinderen bevatten elk een identieke standaardoverweging: “de moeder wordt in bewaring gesteld; de kinderen zijn afhankelijk van haar en moeten meegaan.” Geen individuele belangenafweging; strijd met par. A5/2.4 Vc (versterkte terughoudendheid bij gezinnen met minderjarigen). Uit EHRM-rechtspraak over art. 8 EVRM volgt dat bij maatregelen betreffende kinderen de belangen van het kind voorrang dienen te hebben; dit is niet kenbaar gemaakt (ECLI:NL:RBDHA:2024:5928; ECLI:NL:RBDHA:2023:13573).
- Gefaciliteerde overdracht: Niet geprobeerd. De kostenoverweging die de minister ter zitting aanvoerde, rechtvaardigt deze keuze niet in het licht van de vereiste versterkte terughoudendheid.
- Voortduring zonder wettelijke grondslag: Na de voorziening van de ABRvS op 23 juli 2025 had de minister twee dagen de tijd om de grondslag om te zetten (ECLI:NL:RVS:2021:705; ECLI:NL:RVS:2016:1082). Nu dat niet is gedaan en de bewaring op 24 juli 2025 is opgeheven, heeft de maatregel één dag zonder wettelijke grondslag voortgeduurd. Die voortduring is onrechtmatig (ECLI:NL:RBDHA:2023:20343).
Conclusie en Gevolgen
- Uitspraak: Beroepen gegrond; bestreden besluiten vernietigd.
- Schadevergoeding: €3.500 (7 × €100 × 5 eisers, verblijf detentiecentrum).
- Proceskosten: €4.535 (te betalen aan rechtsbijstandverlener).
- Rechtsmiddel: Hoger beroep bij ABRvS binnen één week.
Noten
- Art. 59a, eerste lid, Vw; art. 106 Vw
- Art. 5.1b Vb; art. 5.1a, vijfde lid, Vb
- Par. A5/1 en A5/2.4 Vc (proportionaliteit, subsidiariteit en versterkte terughoudendheid gezinnen)
- Art. 8 EVRM (belangen van het kind)
- Dublinverordening (EU) nr. 604/2013
- ECLI:NL:RBDHA:2024:5928; ECLI:NL:RBDHA:2023:13573 (belangen minderjarigen bij bewaring)
- ECLI:NL:RVS:2021:705; ECLI:NL:RVS:2016:1082 (termijn omzetting bewaringsgrondslag)
- ECLI:NL:RBDHA:2023:20343 (voortduring bewaring zonder grondslag)